Aanbestedingsreglement werken 2005 Inleiding Vanaf 1 december 2005 is de Nederlandse implementatie van de nieuwe Europese richtlijn 2004/18/EG (Algemene Richtlijn) een feit. Op die datum treedt het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) in werking en is voor de vier bouwdepartementen (VROM, V&W, Defensie, LNV) in plaats van het Aanbestedingsregelement Werken 2004 (ARW 2004) het ARW 2005 van kracht. Niet alleen ministeries zullen het ARW 2005 gaan inzetten. De VNG heeft de gemeenten reeds geadviseerd om per 1 december 2004 het ARW 2005 te gaan gebruiken. Het ARW 2005 kent een aantal in het oog springende nova. Zo introduceert het ARW 2005 een nieuwe procedure, te weten de concurrentiegerichte dialoog. Ook biedt het ARW 2005 ruimte voor nieuwe aankooptechnieken in de vorm van elektronisch veilen en raamovereenkomsten. Bovendien treedt een wijziging op ten opzichte van het ARW 2004 op het gebied van alternatieve aanbiedingen (thans varianten van de inschrijver) en vindt codificatie van jurisprudentie plaats met betrekking tot onder meer selectiecriteria. Reden om in vogelvlucht deze vernieuwende elementen van het ARW 2005 te behandelen. Nieuwe procedure; de concurrentiegerichte dialoog Voor aanbesteders die zich geconfronteerd zagen met specifieke grote en complexe opdrachten, bestond onder de 'oude richtlijnen' geen gemakkelijk toegankelijke flexibele procedure, waarbinnen de aanbesteder de mogelijkheid had om in onderhandeling of dialoog te treden met marktpartijen. Getracht is in die lacune te voorzien door introductie in de Richtlijn van de concurrentiegerichte dialoog. De concurrentiegerichte dialoog mag bij Europese aanbestedingen uitsluitend worden toegepast in geval van bijzondere complexe opdrachten (overweging 31 en artikel 29 lid 1 van de Richtlijn en artikel 4.2 ARW 2005). Dit betreft opdrachten ten aanzien waarvan de aanbesteder objectief gezien niet in staat is de technische middelen te bepalen waarmee aan zijn behoefte of doel kan worden tegemoetgekomen, dan wel ten aanzien waarvan de aanbesteder niet in staat is de juridische en/of financiële voorwaarden te specificeren (zie artikel 1 lid 11 sub c van de Richtlijn). Hoewel met de introductie van de concurrentiegerichte dialoog werd beoogd een oplossing te bieden voor de aanbesteding van complexe projecten - waaronder ook publiek private samenwerkingsvormen - rijst de vraag of de geboden oplossing praktisch hanteerbaar zal zijn. Veel hangt af van de wijze waarop het begrip "bijzondere complexe opdrachten" in de praktijk zal worden uitgelegd. De procedure is beschreven in artikel 29 van de Richtlijn en hoofdstuk 4 van het ARW 2005. In de aankondiging van de opdracht vermeldt de aanbesteder zijn behoefte en eisen, die nader worden uitgewerkt in het zogenaamde beschrijvend document. Het 'beschrijvend document' betreft de door de aanbesteder aan de aanbieding te stellen eisen. Na selectie van gegadigden kan de aanbesteder met de geselecteerde gegadigden in dialoog treden met het doel na te gaan en te bepalen welke oplossingen het best aan de behoefte van de aanbesteder voldoen. Het gunningscriterium is dwingend voorgeschreven en is dat van de economisch meest voordelige aanbieding (4.17.1 ARW 2005). De te hanteren gunningscriteria dienen in de aankondiging van de opdracht of het beschrijvend document te zijn vermeld (artikel 4.29 lid 2 ARW 2005). In de aard van de concurrentiegerichte dialoog ligt besloten dat dit geen eenvoudige opgave is. Hoewel de aanbesteder wel zijn behoefte en eisen heeft geïnventariseerd, dient immers aan de hand van de dialoog nog te worden vastgesteld op welke wijze daaraan het beste kan worden voldaan. In die context rijst de vraag in hoeverre het praktisch gezien mogelijk zal zijn al voorafgaand aan de dialoog gunningscriteria te formuleren die uiteindelijk dwingend de economisch meest voordelige aanbieding bepalen, laat staan dat eenvoudig zal zijn die gunningscriteria te voorzien van hun relatieve gewicht conform artikel 4.17.2 ARW 2005. Aannemelijk is immers dat de aanbesteder juist gaande de dialoog een beter beeld zal krijgen van mogelijke oplossingen (en bijbehorende financiële implicaties) en daardoor dus ook beter in staat zal zijn te formuleren welke elementen (gunningscriteria) in welke mate van belang zullen zijn bij het kiezen van de economisch meest voordelige aanbieding. Bedacht dient te worden dat de aanbesteder zich in alle fasen van de dialoog zal moeten laten leiden door beginselen van aanbestedingsrecht, waaronder het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers (expliciet aan de orde gesteld in artikel 4.18.3 ARW 2005) en het transparantiebeginsel. Met deze beginselen verdraagt zich slecht het tijdens de dialoog introduceren van nieuwe gunningscriteria die niet in de aankondiging of het beschrijvend document zijn vermeld. Artikel 4.1.5 ARW 2005 voorziet in de mogelijkheid de dialoog gefaseerd te laten verlopen, aldus dat tijdens de dialoog, aan de hand van de vooraf bekendgemaakte gunningscriteria, oplossingen afvallen. Aangenomen wordt wel dat in de mogelijkheid oplossingen te laten afvallen tevens besloten ligt de mogelijkheid gegadigden te laten afvallen (zie bijvoorbeeld D.C. Orobio de Castro en J.F. van Nouhuys, Praktische beschouwingen over de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijn en het nieuwe UAR, Bouwrecht 2004, p. 820). Voordeel van deze gefaseerde dialoog is dat de transactiekosten aan de zijde van zowel aanbesteder als gegadigden worden beperkt. Als nadeel kan worden genoemd dat tegen een beslissing om een gegadigde of oplossing te laten afvallen rechtsbescherming zal moeten worden geboden (de genomen beslissing dient in een spoedprocedure aan de kaak te kunnen worden gesteld) hetgeen tot vertraging kan leiden. De mogelijkheid tot het gefaseerd laten verlopen van de dialoog dient in de aankondiging of het beschrijvend document bekend te zijn gemaakt. De dialoog duurt voort totdat de aanbesteder kan aangeven welke oplossing aan zijn behoefte en eisen kan voldoen (artikel 4.18.6 ARW 2005). De aanbesteder verklaart in dat geval de dialoog voor beëindigd, waarna de gegadigden hun definitieve inschrijvingen mogen indienen. Ingeschreven moet worden op die oplossingen die de aanbesteder wenselijk acht. Na inschrijving is onderhandeling daarover in uitgangspunt niet mogelijk. Wel voorziet artikel 4.27.1 ARW 2005 in de mogelijkheid voor de aanbesteder te verzoeken om de inschrijvingen toe te lichten, te preciseren en nauwkeuriger te omschreven. Bij de beantwoording van de vraag hoe veel speelruimte een aanbesteder en gegadigden hierbij hebben is het gelijkheidsbeginsel leidend; de toelichting, precisering en nadere omschrijving mogen de basiselementen van de inschrijving of de aanbesteding niet wezenlijk wijzigen, aangezien dat de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben. Nieuwe aankooptechniek; elektronisch veilen Het ARW voorziet in de mogelijkheid tot elektronisch veilen (artikel 2.28 resp. 3.30 resp. 5.31 resp. 7.20 resp. 10.8 ARW 2005). Een elektronische veiling betreft "een zich herhalend proces langs elektronische weg voor de presentatie van nieuwe, verlaagde prijzen, en/of van nieuwe waarden voor bepaalde elementen van de inschrijvingen, dat plaatsvindt na de eerste volledige beoordeling van de inschrijvingen en dat hun klassering op basis van elektronische verwerking mogelijk maakt" (artikel 1 lid 7 van de Richtlijn). Slechts indien de specificaties van een opdracht, werk of levering nauwkeurig kan worden omschreven, is elektronisch veilen toegestaan (considerans sub 14 van de Richtlijn). De veiling gaat aldus in zijn werk dat de aanbesteder eerst inschrijvingen aan de hand van gunningscriteria en bijbehorende wegingsfactoren beoordeelt. Vervolgens kunnen inschrijvers gelijktijdig worden uitgenodigd tot de eigenlijke veiling, waarbij nieuwe prijzen of nieuwe waarden kunnen worden ingediend. Bij de uitnodiging tot de veiling dient de aanbesteder bepaalde minimuminformatie bekend te maken (artikel 2.28.4 ARW 2005), waaronder de elementen van de inschrijvingen waarvan de waarden zijn betrokken in de veiling, relevante informatie met betrekking tot het verloop van de veiling en de vereiste minimumverschillen die voor de biedingen vereist zijn. Inschrijvers dienen altijd te weten wat hun klassering is, ook in geval van het gunningscriterium van de economisch meest voordelige aanbieding. In dat verband bepaalt artikel 2.28.7 dat de aanbesteder bij de uitnodiging tot de veiling de wiskundige formule dient te verstrekken die tijdens de veiling de automatische herklassering naar gelang van de ingediende nieuwe prijzen of waarden bepaalt. De veiling eindigt op een vooraf bekend gemaakte datum en tijdstip, ofwel wanneer geen nieuwe aanbiedingen worden ontvangen ofwel op het moment dat alle vooraf bekend gemaakte fasen van de veiling zijn doorlopen. De elektronische veiling verloopt geanonimiseerd. De aanbesteder deelt tijdens het verloop van de veiling de identiteit van de inschrijvers niet mee (artikel 2.28.12 ARW 2005). Nieuwe aankooptechniek; raamovereenkomsten De Algemene Richtlijn voorziet in artikel 32 in de mogelijkheid voor aanbestedende diensten om raamovereenkomsten te sluiten. Overeenkomstig dit artikel bepalen de artikelen 9.1.1 en 10.1.1 ARW 2005 dat raamovereenkomsten tot doel hebben het gedurende een bepaalde periode vaststellen van de voorwaarden inzake te gunnen opdrachten, met name wat betreft de prijs en de hoeveelheden. De idee achter de raamovereenkomst is dat indien de raamovereenkomst met inachtneming van de aanbestedingsregels is gegund, individuele opdrachten (zogenaamde raamcontracten) op basis van een raamovereenkomst rechtstreeks kunnen worden verstrekt (artikelen 9.1.2 en 10.1.3 ARW 2005). Dit, onder de voorwaarde dat de individuele opdracht onder de scope van de raamovereenkomst valt: er mogen tussentijds geen substantiële wijzigingen aan de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden worden aangebracht (artikel 10.2.2 ARW 2005). Volgens artikel 32 lid 3 en 4 Algemene Richtlijn zijn twee typen raamovereenkomsten denkbaar. Het ARW 2005 maakt in het verlengde hiervan ook onderscheid tussen de situatie waarbij een raamovereenkomst wordt aangegaan met één enkele aanbieder (artikel 9.1 e.v.) en een situatie waarbij een raamovereenkomst wordt gesloten met meerdere ondernemers (artikel 10.1 e.v.). Voor een raamovereenkomst met meerdere ondernemers geldt een minimum aantal ondernemers, te weten drie (artikel 10.1.2 ARW 2005). Ingeval in een raamovereenkomst met meerdere ondernemers niet reeds alle voorwaarden in de overeenkomst zijn bepaald, zal de aanbesteder alsnog de individuele opdracht dienen aan te besteden (artikel 10.3.1 ARW 2005). De looptijd van beide typen raamovereenkomsten bedraagt maximaal vier jaar (artikel 10.2.4 ARW 2005). Varianten Ten opzichte van het ARW 2004 is met betrekking tot de alternatieve aanbieding een aantal veranderingen noemenswaardig. Niet alleen is de terminologie gewijzigd - de term alternatieve aanbieding is vervangen door 'variant van de inschrijver' -, maar ook is vanaf 1 december 2005 een variant van een inschrijver slechts toegestaan, indien als gunningscriterium de economisch meest voordelige aanbieding wordt gehanteerd (artikel 2.21.1 ARW 2005). Waar in het ARW 2004 in geval van een nationale aanbesteding een variant van een inschrijver was toegestaan bij toepassing van het gunningscriterium de laagste prijs, maakt het ARW 2005 hier, in lijn met artikel 24 Algemene Richtlijn, dus een einde aan. Voorts is een aanbesteder niet langer verplicht een variant van een inschrijver in aanmerking te nemen, indien hij deze volgens de aankondiging niet toelaatbaar acht. Anders gezegd, varianten van een inschrijver zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij in de aankondiging anders is bepaald. In dit verband is van belang dat de aanbesteder die varianten toelaat in de aankondiging of in het bestek dient te vermelden aan welke minimumeisen deze varianten tenminste moeten voldoen (artikel 2.21.3 ARW 2005). Het ARW 2004 stelde daarnaast nog eisen aan een variant van een inschrijver. Deze werd alleen in beschouwing genomen, indien deze (i) betrekking heeft op een wezenlijke wijziging en (ii) de kwaliteit ten minste gelijkwaardig is aan hetgeen is voorgeschreven. Deze eisen zijn in het ARW 2005 komen te vervallen. Geschiktheidseisen en toerekening van ervaring Ter voldoening aan gestelde geschiktheidseisen wensen gegadigden zich veelal te beroepen op ervaring die in het verleden door een derde is opgedaan. Het ARW 2005 bepaalt onder welke omstandigheden een dergelijk beroep op een derde is toegestaan (artikel 2.8.4/2.9.3). Bepaald is dat voor een geslaagd beroep op de bekwaamheid of de draagkracht van andere natuurlijke of rechtspersonen de juridische aard van de banden irrelevant is. Voldoende is dat de opdrachtnemer aantoont dat hij kan beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen. Dit betreft een codificatie van Europese jurisprudentie (onder meer HvJEG 14 april 1994, Ballast Nedam I, C-389/92 HvJEG 2 december 1999, Holst Italia, C- 176/98 en HvJEG 18 november 2004, Commissie Duitsland, C-126/03). De vraag rijst wanneer een opdrachtnemer daadwerkelijk "kan beschikken" over de voor de uitvoering relevante middelen, zeker als het gaat om de draagkracht van derden. Het ARW 2005 laat die vraag onbeantwoord, zodat jurisprudentie op dit punt nader verduidelijking zal moeten brengen. Conclusie Met de inwerkingtreding van het ARW 2005 op 1 december 2005 komt het ARW 2004 te vervallen. In het ARW 2005 is de implementatie van de Algemene Richtlijn op het terrein van aanbestedingsprocedures voor werken een feit. Dit maakt het ARW 2005 een vernieuwend regelgevend kader die onder meer nieuwe aanbestedingsprocedures introduceert en (Europese) rechtspraak codificeert. Voor aanbesteders lijkt met de komst van het ARW 2005 volop ruimte te bestaan voor (verdere) innovatie. Hélène Stergiou Petra Heemskerk