C 179/2
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
1.8.2006
INTERPRETATIEVE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE
over de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op het plaatsen van opdrachten die niet of
slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen
(2006/C 179/02)
INLEIDING
De Europese Gemeenschap heeft onlangs nieuwe richtlijnen voor het plaatsen van overheidsopdrachten
voor werken, leveringen en diensten vastgesteld (1). Hierin zijn gedetailleerde regels voor openbare aanbe-
stedingsprocedures in de hele EU opgenomen.
De richtlijnen inzake overheidsopdrachten gelden echter niet voor alle opdrachten van de overheid. Allerlei
opdrachten vallen geheel of gedeeltelijk buiten de werkingssfeer van deze richtlijnen, zoals
-- opdrachten waarvan de waarde onder de toepassingsdrempels voor de richtlijnen inzake overheidsop-
drachten ligt (2);
-- opdrachten voor in bijlage II B bij Richtlijn 2004/18/EG of bijlage XVII B bij Richtlijn 2004/17/EG
opgenomen diensten, waarvan de waarde de toepassingsdrempels overschrijdt.
Deze opdrachten bieden belangrijke kansen aan ondernemingen in de interne markt, en met name aan het
midden- en kleinbedrijf en starters. Tegelijk dragen open en concurrentiegerichte gunningsprocedures ertoe
bij dat voor deze opdrachten een breder scala van potentiële inschrijvers wordt aangetrokken en dat econo-
misch voordeliger offertes worden ontvangen. Een zo efficiënt mogelijk gebruik van overheidsgelden is
vooral belangrijk omdat veel lidstaten met begrotingsproblemen kampen. Voorts is bewezen dat transpa-
rante praktijken bij het plaatsen van overheidsopdrachten een goede bescherming tegen corruptie en
vriendjespolitiek bieden.
Niettemin worden dergelijke opdrachten nog vaak rechtstreeks zonder enige mededinging gegund aan
plaatselijke ondernemingen. Het Europese Hof van Justitie (Hof) heeft in zijn rechtspraak bevestigd dat de
in het EG-Verdrag opgenomen regels betreffende de interne markt ook van toepassing zijn op opdrachten
die niet onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen. De lidstaten en belanghebbenden hebben
de Commissie herhaaldelijk gevraagd om richtsnoeren voor de toepassing van de basisbeginselen die aan
deze rechtspraak zijn ontleend.
Deze interpretatieve mededeling betreft bovengenoemde twee groepen opdrachten die geheel of
gedeeltelijk buiten de werkingssfeer van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen
(3). De
Commissie belicht hierin hoe zij de rechtspraak van het Hof interpreteert en wijst op goede prak-
tijken om de lidstaten te helpen optimaal profijt van de interne markt te trekken. Door deze mede-
deling worden geen nieuwe rechtsregels gecreëerd.
Dat neemt echter niet weg dat de uitlegging van
het Gemeenschapsrecht uiteindelijk de taak van het Hof is.
1. JURIDISCHE ACHTERGROND
1.1. Regels en beginselen van het EG-Verdrag
Wanneer aanbestedende diensten (4) in de lidstaten opdrachten plaatsen die binnen de werkingssfeer van
het EG-Verdrag vallen, moeten zij de regels en beginselen van dat Verdrag in acht nemen. Bij die begin-
selen gaat het om het vrije verkeer van goederen (artikel 28), het recht van vestiging (artikel 43), het
vrij verrichten van diensten (artikel 49), non-discriminatie en gelijke behandeling, transparantie,
evenredigheid en wederzijdse erkenning
.
(1) Richtlijn 2004/18/EG, PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114, en Richtlijn 2004/17/EG, PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1
(de ,,richtlijnen inzake overheidsopdrachten").
(2) De drempelwaarden zijn vastgesteld in artikel 7 van Richtlijn 2004/18/EG en artikel 16 van Richtlijn 2004/17/EG.
(3) Een derde groep opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen vallen, zijn de concessieovereenkom-
sten. Zie artikel 17 van Richtlijn 2004/18/EG en artikel 18 van Richtlijn 2004/17/EG voor concessieovereenkomsten
voor diensten, en de artikelen 56-65 van Richtlijn 2004/18/EG en artikel 18 van Richtlijn 2004/17/EG voor conces-
sieovereenkomsten voor werken. Deze overeenkomsten blijven in deze mededeling echter buiten beschouwing omdat
zij in de follow-up van het groenboek over publiek-private partnerschappen worden besproken.
(4) In deze mededeling worden onder aanbestedende diensten zowel aanbestedende diensten in de zin van artikel 1, lid
9, van Richtlijn 2004/18/EG als die in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2004/17/EG verstaan.

1.8.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 179/3
1.2. Basisnormen voor het plaatsen van opdrachten
Het Hof heeft een reeks basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten ontwikkeld, die
direct zijn ontleend aan de regels en beginselen van het EG-Verdrag. De beginselen van gelijke behan-
deling en non-discriminatie op grond van nationaliteit impliceren een verplichting tot transparantie, die
volgens de rechtspraak van het Hof (1) inhoudt ,,dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van
openbaarheid
wordt gegarandeerd, zodat de dienstenmarkt voor mededinging wordt geopend en de aanbe-
stedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst
" (2).
Deze normen zijn van toepassing op concessieovereenkomsten voor diensten, op opdrachten waarvan de
waarde onder de toepassingsdrempels ligt (3) en op opdrachten voor de in bijlage II B bij Richtlijn
2004/18/EG en bijlage XVII B bij Richtlijn 2004/17/EG genoemde diensten voor de aspecten die niet door
deze richtlijnen (4) zijn geregeld. Het Hof stelt expliciet: ,,Ook indien bepaalde overeenkomsten van de
werkingssfeer van de communautaire richtlijnen op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten
zijn uitgesloten, zijn de aanbestedende diensten die deze overeenkomsten sluiten, niettemin gehouden om
de fundamentele regels van het Verdrag in acht te nemen
" (5).
1.3. Relevantie voor de interne markt
De aan het EG-Verdrag ontleende normen gelden alleen voor opdrachten die voldoende verband houden
met de werking van de interne markt. Het Hof heeft in dit opzicht bepaald dat er in specifieke gevallen van
mag worden uitgegaan dat ,,wegens bijzondere omstandigheden zoals de zeer geringe economische betekenis
van de betrokken concessie
" ondernemingen uit andere lidstaten niet geïnteresseerd zullen zijn. In
een dergelijk geval moet ,,de impact op de betrokken fundamentele vrijheden [...] als te toevallig en te indirect [...]
worden beschouwd" om de toepassing van aan het primaire Gemeenschapsrecht ontleende normen te recht-
vaardigen (6).
Het is de verantwoordelijkheid van de aanbestedende dienst om te beslissen of ondernemingen uit andere
lidstaten mogelijk geïnteresseerd kunnen zijn
in een beoogde opdracht. Volgens de Commissie moet
deze beslissing zijn gebaseerd op een evaluatie van de individuele omstandigheden van het geval in
kwestie
, zoals het onderwerp en de geschatte waarde van de opdracht, de kenmerken van de sector in
kwestie (omvang en structuur van de markt, handelspraktijken enz.) en ook de geografische ligging van de
plaats van uitvoering.
Als de aanbestedende dienst concludeert dat de opdracht relevant is voor de interne markt, moet deze
worden gegund volgens de aan het Gemeenschapsrecht ontleende basisnormen.
Wanneer de Commissie kennis krijgt van een mogelijke schending van de basisnormen voor het plaatsen
van overheidsopdrachten die niet onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen, zal zij de rele-
vantie van de opdracht voor de interne markt in het licht van de individuele omstandigheden van
het geval in kwestie beoordelen
. Er zal alleen een inbreukprocedure krachtens artikel 226 van het EG-
Verdrag worden ingesteld, wanneer dit met het oog op de ernst van de inbreuk en de effecten ervan
op de interne markt passend
lijkt.
2. BASISNORMEN VOOR HET PLAATSEN VAN OPDRACHTEN DIE RELEVANT VOOR DE INTERNE
MARKT ZIJN
2.1. Bekendmaking
2.1.1. Verplichting te zorgen voor een passende bekendmaking
Volgens het Hof (7) impliceren de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie een verplichting
tot transparantie
, die inhoudt dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid
wordt gegarandeerd, zodat de markt voor mededinging wordt geopend
.
De transparantieverplichting houdt in dat een in een andere lidstaat gevestigde onderneming toegang
krijgt tot alle relevante informatie over de opdracht voordat deze wordt gegund
, zodat zij desge-
wenst haar belangstelling voor die opdracht kan tonen (8).
(1) Zie arrest in zaak C-324/98, Telaustria, Jurispr. 2000, blz. I-10745, punt 62; arrest van 21 juli 2005 in zaak C-231/
03, Coname, punten 16-19; arrest van 13 oktober 2005 in zaak C-458/03, Parking Brixen, punt 49.
(2) Zaak Telaustria, punt 62, en zaak Parking Brixen, punt 49 (nadruk van de auteur).
(3) Zie het arrest in zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard, Jurispr. 2001, blz. I-9505, punt 20, en het arrest van 20
oktober 2005 in zaak C-264/03, Commissie/Frankrijk, punten 32 en 33.
(4) Arrest van 27 oktober 2005 in zaak C-234/03, Contse, punten 47-49. De richtlijnen inzake overheidsopdrachten
voorzien slechts in een beperkt aantal regels voor deze opdrachten (zie artikel 21 van Richtlijn 2004/18/EG en artikel
32 van Richtlijn 2004/17/EG).
(5) Zaak Bent Mousten Vestergaard, punt 20 (nadruk van de auteur).
(6) Zaak Coname, punt 20 (nadruk van de auteur).
(7) Zaak Telaustria, punt 62, en zaak Parking Brixen, punt 49.
(8) Zaak Coname, punt 21.

C 179/4
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
1.8.2006
Volgens de Commissie is het niet voldoende contact op te nemen met een aantal potentiële inschrijvers,
ook al beperkt de aanbestedende dienst zich niet tot ondernemingen uit eigen land of probeert zij alle
potentiële leveranciers te bereiken. Met een dergelijke selectieve aanpak kan discriminatie van potentiële
inschrijvers uit andere lidstaten, en met name van nieuwe marktpartijen, niet worden uitgesloten. Hetzelfde
geldt voor alle vormen van ,,passieve" publiciteit, waarbij een aanbestedende dienst van actieve bekendma-
king afziet, maar reageert op verzoeken om informatie van aanvragers die op eigen gelegendheid te weten
zijn gekomen dat een opdracht wordt geplaatst. Ook wanneer voor informatie alleen wordt verwezen naar
persverslagen, parlementaire of politieke debatten of congressen en dergelijke, is dit geen passende bekend-
making.
Daarom kan alleen aan de door het Hof gestelde eisen worden voldaan door de bekendmaking van een
voldoende toegankelijke aankondiging van de opdracht voordat deze wordt geplaatst
. De aanbeste-
dende dienst moet deze bekendmaking doen om de opdracht voor mededinging open te stellen.
2.1.2. Medium van de bekendmaking
De aanbestedende diensten moeten zelf besluiten welk medium het meest geschikt is voor de bekendma-
king van hun opdrachten. Zij moeten zich bij hun keus laten leiden door een beoordeling van de rele-
vantie van de opdracht voor de interne markt
, met name met het oog op het onderwerp en de waarde
van de opdracht en de gebruikelijke praktijken in de desbetreffende sector.
Hoe groter het belang van de opdracht voor potentiële inschrijvers uit andere lidstaten is, hoe
meer ruchtbaarheid eraan moet worden gegeven.
In het bijzonder bij opdrachten voor de in bijlage II
B bij Richtlijn 2004/18/EG en bijlage XVII B bij Richtlijn 2004/17/EG genoemde diensten waarvan de
waarde de drempels voor de toepassing van deze richtlijnen overschrijdt, houdt een passende transparantie
gewoonlijk in dat de opdracht in een medium met een groot bereik moet worden bekendgemaakt.
Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld:
-- Internet
Door het eenvoudige en wijdverbreide gebruik van internet zijn bekendmakingen van opdrachten op
websites nu heel toegankelijk, vooral voor ondernemingen uit andere lidstaten en voor kleine en
middelgrote bedrijven op zoek naar kleinere opdrachten. Internet biedt diverse mogelijkheden voor de
bekendmaking van overheidsopdrachten.
Bekendmakingen op de eigen website van de aanbestedende dienst zijn flexibel en kosteneffectief.
Bij de presentatie moet erop worden gelet dat potentiële inschrijvers de informatie gemakkelijk kunnen
vinden. De aanbestedende diensten kunnen ook overwegen om in hun kopersprofiel op internet infor-
matie op te nemen over komende opdrachten die niet onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten
vallen (1).
Specifieke portaalsites voor bekendmakingen van opdrachten hebben een grotere zichtbaarheid en er
zijn meer zoekfuncties mogelijk. De oprichting van een specifiek platform voor kleine opdrachten met
een directory van aankondigingen van opdrachten in combinatie met een e-mailabonnement is in dit
verband een goede praktijk die de mogelijkheden van internet optimaal gebruikt om de transparantie
en efficiëntie te vergroten (2).
-- Staatsbladen, nationale bladen gespecialiseerd in de bekendmaking van overheidsopdrachten, nationale
en regionale kranten en vakbladen
-- Lokale media
Weliswaar mogen aanbestedende diensten nog steeds lokale media, zoals plaatselijke kranten, gemeente-
lijke aankondigingenbladen of zelfs aanplakborden gebruiken, maar omdat deze alleen een bekendma-
king op strikt plaatselijk niveau garanderen, is dit alleen geschikt voor speciale gevallen, zoals zeer
kleine opdrachten waarvoor alleen een lokale markt bestaat.
-- Publicatieblad van de Europese Unie/ TED (Tenders Electronic Daily)
Bekendmaking in het Publicatieblad is niet verplicht, maar kan wel een interessante mogelijkheid zijn,
vooral voor grotere opdrachten.
(1) Zie bijlage VIII bij Richtlijn 2004/18/EG en bijlage XX bij Richtlijn 2004/17/EG.
(2) Zie bijvoorbeeld de pas geopende portaalsite voor kleinere opdrachten in het Verenigd Koninkrijk,
www.supply2.gov.uk.

1.8.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 179/5
2.1.3. Inhoud van de bekendmaking
Het Hof heeft expliciet gezegd dat de transparantieverplichting niet inhoudt dat een formele aanbestedings-
procedure moet worden gevolgd (1). De bekendmaking mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving
van de essentiële gegevens van de opdracht en de gunningsprocedure en een uitnodiging contact op
te nemen met de aanbestedende dienst. Zo nodig kan dit worden aangevuld met informatie die op internet
beschikbaar is of die bij de aanbestedende dienst kan worden aangevraagd.
De bekendmaking en eventuele aanvullende documentatie moeten zoveel informatie bevatten als een
onderneming uit een andere lidstaat redelijkerwijs nodig heeft om te beslissen of zij van haar belang-
stelling voor de opdracht blijk zal geven.
Zoals hieronder in punt 2.2.2 wordt vermeld, mag de aanbestedende dienst maatregelen nemen ter beper-
king van het aantal gegadigden dat wordt uitgenodigd een offerte in te dienen. In dat geval moet de aanbe-
stedende dienst voldoende informatie verstrekken over de mechanismen die voor de selectie van gega-
digden voor de shortlist worden gebruikt.
2.1.4. Procedures zonder voorafgaande bekendmaking
De richtlijnen inzake overheidsopdrachten bevatten specifieke afwijkingen die in bepaalde omstandigheden
procedures zonder voorafgaande bekendmaking mogelijk maken (2). De belangrijkste gevallen betreffen
dwingende spoed ten gevolge van onvoorziene gebeurtenissen en opdrachten die om technische of artis-
tieke redenen dan wel om redenen van de bescherming van alleenrechten slechts door één specifieke
ondernemer kunnen worden uitgevoerd
.
Volgens de Commissie kunnen deze afwijkingen ook worden toegepast bij opdrachten die niet onder de
richtlijnen vallen. Aanbestedende diensten mogen dergelijke opdrachten dus zonder voorafgaande bekend-
making plaatsen, mits wordt voldaan aan de in de richtlijnen genoemde voorwaarden voor een van de
afwijkingen (3).
2.2. Gunning van de opdracht
2.2.1. Beginselen
In zijn arrest in de zaak Telaustria heeft het Hof bepaald dat het beginsel van transparantie inhoudt dat aan
elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd, zodat de markt voor
mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden
getoetst. In feite is de garantie van een eerlijke en onpartijdige procedure het noodzakelijke uitvloeisel van
de verplichting te zorgen voor een transparante bekendmaking.
De opdracht moet derhalve in overeenstemming met de regels en beginselen van het EG-Verdrag
worden gegund, zodat alle ondernemers die in de opdracht geïnteresseerd zijn onder eerlijke voorwaarden
kunnen meedingen (4). Dit kan in de praktijk het best worden bereikt door:
-- Een niet-discriminerende beschrijving van het onderwerp van de opdracht
In de beschrijving van de vereiste kenmerken van een product of een dienst mag niet worden verwezen
naar een bepaald fabrikaat, een bepaalde herkomst of een specifiek productieproces, naar handels-
merken, octrooien, typen of een specifieke oorsprong of productie, tenzij een dergelijke verwijzing
wordt gerechtvaardigd door het onderwerp van de opdracht en vergezeld gaat van de woorden ,,of
daarmee overeenstemmend" (5). In ieder geval moeten bij voorkeur algemenere beschrijvingen van de
prestaties of functies worden gegeven.
(1) Zaak Coname, punt 21.
(2) Artikel 31 van Richtlijn 2004/18/EG en artikel 40, lid 3, van Richtlijn 2004/17/EG.
(3) Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs in zaak C-525/03, Commissie/Italië, punten 46-48.
(4) Zie zaak C-470/99, Universale-Bau AG, Jurispr. 2002, blz. I-11617, punt 93.
(5) Zie de zaak Bent Mousten Vestergaard, punten 21-24, en de interpretatieve mededeling van de Commissie - Een gemak-
kelijkere toegang voor goederen tot de markten van andere lidstaten, PB C 265 van 4.11.2003, blz. 2. Opdrachten
voor de in bijlage II B bij Richtlijn 2004/18/EG of bijlage XVII B bij Richtlijn 2004/17/EG opgenomen diensten
moeten voldoen aan de voorschriften voor technische specificaties in artikel 23 van Richtlijn 2004/18/EG dan wel
artikel 34 van Richtlijn 2004/17/EG indien hun waarde de drempel voor de toepassing van die richtlijnen te boven
gaat. De technische specificaties voor dergelijke opdrachten moeten worden vastgesteld voordat er een gegadigde
wordt geselecteerd; zij moeten de potentiële inschrijvers bekend zijn dan wel voor hen beschikbaar zijn op zodanige
wijze dat de transparantie wordt gegarandeerd en alle potentiële inschrijvers dezelfde kansen hebben; zie conclusie
van advocaat-generaal Jacobs in zaak C-174/03, Impresa Portuale di Cagliari, punten 76-78.

C 179/6
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
1.8.2006
-- Gelijke toegang voor ondernemingen uit alle lidstaten
De aanbestedende diensten mogen geen voorwaarden opleggen die leiden tot een directe of indi-
recte discriminatie
van potentiële inschrijvers uit andere lidstaten, zoals de eis dat ondernemingen die
voor de opdracht in aanmerking wensen te komen, in dezelfde lidstaat of regio moeten zijn gevestigd
als de aanbestedende dienst (1).
-- Wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels
Indien gegadigden of inschrijvers certificaten, diploma's of andere schriftelijke bewijsstukken moeten
overleggen, moeten, in overeenstemming met het beginsel van wederzijdse erkenning van diploma's,
certificaten en andere titels, documenten uit andere lidstaten die een gelijkwaardige garantie bieden,
worden aanvaard.
-- Passende termijnen
De termijnen voor de indiening van blijken van belangstelling en van een offerte moeten lang genoeg
zijn om ondernemingen uit andere lidstaten in staat te stellen een zinvolle evaluatie te maken en hun
offerte voor te bereiden.
-- Transparante en objectieve aanpak
Alle deelnemers moeten vooraf kennis kunnen nemen van de toepasselijke voorschriften en de zeker-
heid hebben dat deze voorschriften voor iedereen op dezelfde wijze worden toegepast.
2.2.2. Beperking van het aantal gegadigden dat wordt uitgenodigd een offerte in te dienen
De aanbestedende diensten mogen maatregelen nemen om het aantal gegadigden tot een geschikt niveau te
beperken, mits dit op transparante en niet-discriminerende wijze gebeurt. Zij kunnen bijvoorbeeld
objectieve criteria toepassen, zoals ervaring in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van de
onderneming, technische en professionele vaardigheden of andere elementen. Zij mogen zelfs kiezen voor
loting, eventueel in combinatie met andere selectiecriteria. In ieder geval moeten er voldoende aanvragers
op de shortlist
worden geplaatst om een adequate mededinging te garanderen.
Ook mogen de aanbestedende diensten gebruik maken van kwalificatiesystemen, waarbij een lijst van
gekwalificeerde ondernemingen
wordt opgesteld aan de hand van een transparante en open procedure
die in voldoende mate is bekendgemaakt. De aanbestedende dienst kan dan naderhand, bij de plaatsing van
individuele opdrachten die binnen de werkingssfeer van het systeem vallen, uit de lijst van gekwalificeerde
ondernemingen op niet-discriminerende wijze ondernemingen selecteren die worden uitgenodigd een
offerte in te dienen (bv. door toepassing van een rouleersysteem).
2.2.3. Beslissing over de gunning van de opdracht
Het is van belang dat de uiteindelijke beslissing over de gunning van de opdracht in overeenstemming is
met de vooraf vastgestelde procedurele voorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de
beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling
. Dat geldt vooral voor procedures waarbij
met een groep inschrijvers op een shortlist wordt onderhandeld. De onderhandelingen moeten zodanig
worden georganiseerd dat alle inschrijvers toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en dat geen
van de inschrijvers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.
2.3. Rechterlijke bescherming
2.3.1. Beginselen
In zijn Telaustria-arrest heeft het Hof gewezen op het belang van de mogelijkheid de onpartijdigheid van
de procedure te toetsen
. Zonder goed toetsingsmechanisme kan de inachtneming van de basisnormen
van eerlijkheid en transparantie niet doeltreffend worden gegarandeerd.
(1) Wel mag worden verlangd dat de inschrijver aan wie de opdracht wordt gegund ter plaatse van de prestatie een
bepaalde zakelijke infrastructuur opzet indien dit door de specifieke omstandigheden van de opdracht wordt gerecht-
vaardigd.

1.8.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 179/7
2.3.2. Richtlijnen inzake beroepsprocedures
De richtlijnen inzake beroepsprocedures (1) hebben uitsluitend betrekking op opdrachten die binnen de
werkingssfeer van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten (2) vallen. Dit betekent dat zij in de huidige
context alleen van toepassing zijn op opdrachten voor de in bijlage II B bij Richtlijn 2004/18/EG en bijlage
XVII B bij Richtlijn 2004/17/EG opgenomen diensten waarvan de waarde de drempel voor de toepassing
van deze richtlijnen te boven gaat. De beroepsprocedures voor dergelijke opdrachten moeten in overeen-
stemming zijn met de richtlijnen inzake beroepsprocedures en met de rechtspraak ter zake. Deze begin-
selen zijn ongewijzigd overgenomen in het onlangs aangenomen voorstel voor een nieuwe richtlijn over
beroepsprocedures (3).
2.3.3. Basisnormen die zijn ontleend aan het primaire Gemeenschapsrecht
Bij opdrachten waarvan de waarde onder de drempels voor toepassing van de richtlijnen inzake overheids-
opdrachten ligt, moet er rekening mee worden gehouden dat volgens de rechtspraak van het Hof (4) parti-
culieren gerechtigd zijn zich daadwerkelijk voor de rechter te beroepen op door hen aan de
communautaire rechtsorde ontleende rechten
. Het recht op deze bescherming is een van de algemene
rechtsbeginselen die voortspruiten uit de grondwettelijke tradities die de lidstaten met elkaar gemeen
hebben. Wanneer Gemeenschapsrechtelijke bepalingen ontbreken, moeten de lidstaten zorgen voor de
voorschriften en procedures die nodig zijn om een daadwerkelijke bescherming voor de rechter te waar-
borgen.
In verband met dit vereiste moet in ieder geval tegen beslissingen ten nadele van iemand die belangstel-
ling voor de opdracht heeft of heeft gehad
(zoals beslissingen om een gegadigde of inschrijver uit te
sluiten) beroep openstaan wegens mogelijke schending van aan het primaire Gemeenschapsrecht ontleende
basisnormen. Om een doeltreffende uitoefening van het beroepsrecht mogelijk te maken, moeten de aanbe-
stedende diensten beslissingen die voor beroep openstaan, motiveren, hetzij in de beslissing zelf, hetzij op
verzoek na de mededeling van de beslissing (5).
Volgens de rechtspraak over rechterlijke bescherming mogen de beschikbare rechtsmiddelen niet minder
doeltreffend zijn dan die welke worden toegepast bij soortgelijke vorderingen die op het nationale recht
gebaseerd zijn (gelijkwaardigheidsbeginsel) en ook mogen zij het in de praktijk niet onmogelijk of uitzon-
derlijk moeilijk maken rechterlijke bescherming te krijgen (effectiviteitsbeginsel) (6).
(1) Richtlijn 89/665/EEG, PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33, en Richtlijn 92/13/EEG, PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14.
(2) Zie artikel 72 van Richtlijn 2004/17/EG en artikel 81 van Richtlijn 2004/18/EG.
(3) Voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen
89/665/EEG en 92/13/EEG met betrekking tot de verbetering van de doeltreffendheid van beroepsprocedures inzake
het plaatsen van overheidsopdrachten, COM(2006) 195 definitief.
(4) Zie zaak C-50/00, Unión de Pequeños Agricultores, Jurispr. 2002, blz. I-6677, punt 39, en zaak 222/86, Heylens, Jurispr.
1987, blz. 4097, punt 14.
(5) Zie zaak Heylens, punt 15.
(6) Zie voor dit beginsel de zaken C-46/93 en C-48/93, Brasserie du Pêcheur, Jurispr. 1996, blz. I-1029, punt 83, en zaak
C-327/00, Santex, Jurispr. 2003, blz. I-1877, punt 55.