Eerste Kamer der Staten-Generaal
1
Vergaderjaar 2006­2007
30 501
Regels voor het gunnen van
overheidsopdrachten door aanbestedende
diensten en opdrachten door
speciale-sectorbedrijven (Aanbestedingswet)
C
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 10 juli 2007
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van
de vaste commissie voor Economische Zaken van de Eerste Kamer inzake
bovengenoemd wetsvoorstel.
1. De wetssystematiek
Algemeen
Een eerste punt uit het verslag is de door de commissie geconstateerde
ontwikkeling dat de wetgever ruimer dan voorheen gebruik zou maken
van de mogelijkheid wetgevende bevoegdheid te delegeren. Hiermee stelt
het verslag bij gelegenheid van de behandeling van dit wetsvoorstel een
vraagstuk van algemeen wetgevingsbeleid aan de orde.
Zoals het verslag ook terecht stelt, dient dit bezien te worden in een
breder kader dan alleen de EZ wetgeving of alleen dit wetsvoorstel. In
februari 2007 en mei 2007 heeft het kabinet brieven aan uw Kamer
gezonden omtrent parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelge-
ving en omtrent de uitvoering van de motie Jurgens inzake delegatie-
bepalingen met afwijkingsbevoegdheden.1 In deze brieven is de mate
waarin gebruik gemaakt wordt of zou moeten worden van delegatie aan
de regering ten algemene aan de orde. De discussie over dit onderwerp is
deels (nl. ten aanzien van delegatiebevoegdheden met afwijkings-
mogelijkheid en ten aanzien van delegatie bij implementatie van
EU-regelgeving) gevoerd in het debat tussen uw Kamer en de Ministers
van Justitie en van Binnenlandse Zaken op 15 mei jongstleden.2 Die
gedachtewisseling is nog niet afgerond. Het kabinet zal de meer algemene
vragen omtrent delegatie die u ook in dit voorlopig verslag opwerpt,
graag in het kader van die gedachtewisseling een plaats geven. Dit zou
kunnen aan het einde van dit jaar, wanneer er over de in het debat van
15 mei jongstleden gedane toezeggingen wordt gerapporteerd.
Onderstaand ga ik derhalve in op de opmerkingen en vragen in het voor-
1 Respectievelijk Kamerstukken I 2006/07,
lopig verslag voor zover deze betrekking hebben op voorliggend wets-
30 800 VI, nr. C, Kamerstukken I 2006/07,
voorstel. Daarbij wordt de in dit geval gekozen wetssystematiek zorg-
26 200, nr. 65 en Kamerstukken I 2005/06,
vuldig beargumenteerd als passend in het staande wetgevingsbeleid. Ik
21 109, nr. A).
2 Handelingen I, 2006/07, nr. 29 p. 901­907.
wijs er hierbij nog op dat de systematiek van het wetsvoorstel aansluit bij
KST108952
ISSN 0921 - 7363
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2007
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
1

hetgeen in uw Kamer aan de orde is geweest tijdens het eerdergenoemde
debat van 15 mei jongstleden betreffende delegatie, implementatie en
detaillering van wetgeving en bij de motie Jurgens.1 Zekerheidshalve
merk ik in dat verband nog op dat in dit wetsvoorstel geen sprake is van
delegatiegrondslagen die afwijking van de formele wet mogelijk maken.
Delegatiebepalingen in de Aanbestedingswet
De commissie ziet dit wetsvoorstel als een duidelijke illustratie van een
ontwikkeling waarbij in wetgeving in formele zin meer dan voorheen
volstaan wordt met het opnemen van delegatiegrondslagen.
Hoewel het juist is dat het wetsvoorstel, onder andere ter implementatie,
een aantal delegatiegrondslagen bevat, behoeft het beeld dat het voorstel
vrijwel geheel uit delegatiegrondslagen bestaat bijstelling. Het wetsvoor-
stel regelt een substantieel aantal onderdelen zelf, in plaats van hiervoor
delegatiegrondslagen te hanteren. Zo bevatten de eerste acht artikelen
van het wetsvoorstel inhoudelijk belangrijke bepalingen in de vorm van
een integrale weergave van de in het aanbestedingsrecht zo belangrijke
definities. De artikelen 9 tot en met 12 bevatten vervolgens helder en
bondig de belangrijkste beginselen van het aanbestedingsrecht. Al deze
artikelen hebben als zodanig rechtstreeks normerende werking. Ik meen
dat hiermee sprake is van een stevige basis in de wet zelf.
Dan volgt een aantal delegatiegrondslagen. Het belang daarvan is echter
vooral juridisch-technisch: het formeel kunnen voldoen aan de verplich-
ting de gedetailleerde Europese aanbestedingsrichtlijnen tijdig om te
zetten in Nederlandse regelgeving.
De artikelen 20 en 21 (proportionaliteit respectievelijk diverse onder-
werpen zoals de zogenoemde «regels onder de drempel») vormen in mijn
ogen eigenlijk de enige delegatiegrondslag voor gedelegeerde regelge-
ving met beleidsmatige relevantie. Een belangrijk onderwerp als de waar-
borging van de integriteit tenslotte wordt in dit wetsvoorstel weer relatief
vergaand inhoudelijk genormeerd en ingevuld (artikel 19).
Er staan dus behoorlijk wat inhoudelijke bepalingen in het wetsvoorstel.
Dat springt te meer in het oog als het wetsvoorstel op dit punt vergeleken
wordt met de huidige wet, de Raamwet EEG-voorschriften aanbeste-
dingen. Deze wet is al bijna 14 jaar van kracht, maar bevat geen enkele
materiële norm en is in wezen niet meer dan een kale, algemeen geformu-
leerde delegatiegrondslag. Aangezien dit wetsvoorstel mede strekt tot
intrekking van de huidige wet is aanneming van dit wetsvoorstel ­ bezien
vanuit het perspectief van de commissie ­ in ieder geval een duidelijke
verbetering.
De commissie vraagt voorts uitleg van de keuze voor een wetssystematiek
waarbij in belangrijke mate wordt gedelegeerd.
Voor zover sprake is van het gebruik van delegatiegrondslagen is dat
primair ingegeven door het implementatiekarakter van het wetsvoorstel.
Er zijn weinig rechtsgebieden die zozeer bepaald worden door het Euro-
pese recht als juist het terrein van het aanbestedingsrecht. Niet alleen
schrijven de richtlijnen bijzonder gedetailleerd voor waar een aanbeste-
dingsprocedure aan moet voldoen, ook volgen er uit de Europese recht-
spraak regelmatig nieuwe interpretaties. Deze interpretaties beperken zich
niet tot uitleg van de richtlijnen, maar strekken zich ook uit tot de abstracte
bovenliggende verdragsbeginselen. Hierdoor moet worden aangenomen
dat ook onder de drempelwaarden van de richtlijnen Europeesrechtelijke
1
eisen van kracht zijn. Deze eisen zullen naar verwachting de komende
Jurgens (PvdA) c.s. inzake het niet meer
gebruiken van de machtiging aan lagere
jaren door het Hof van Justitie steeds verder worden geconcretiseerd
wetgevers om regels te stellen, ook als deze
zodat we nog regelmatig voor de opgave zullen komen te staan op korte
afwijken van de wet, dan wel als deze in de
termijn regelgeving aan te passen. Het wetsvoorstel is derhalve een
plaats worden gesteld van bestaande
schoolvoorbeeld van de problematiek die in de brief van de Minister van
wetteksten (Kamerstukken I, 2006/07 26 200 VI
nr. 65, en 21 109 nr. D).
Justitie aan uw Kamer van 27 juli 2004 inzake de relatie tussen implemen-
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
2

tatie en delegatie1 aan de orde is gesteld. Het wetsvoorstel is binnen de
kaders van het in de brief geformuleerde beleid opgesteld. Zo bevat het
wetsvoorstel in lijn met de brief geen bijzondere bepalingen zoals het
kunnen afwijken van de wet bij lagere regelgeving. Daarentegen wordt
door klassieke, reguliere delegatie voorzien in een doelmatige structuur
die op adequate wijze rekening houdt met de dynamiek van het Europees
recht. De gekozen systematiek lijkt overigens ook geheel aan te sluiten bij
hetgeen recent in uw Kamer aan de orde is geweest tijdens het eerder-
genoemde debat van 15 mei jongstleden. Daar werd aangegeven dat een
te grote detaillering in de wet niet wenselijk is. De belangrijkste delegatie-
bepaling ter implementatie (art. 17) geeft de regering in wezen slechts de
bevoegdheid de aanbestedingsrichtlijnen intelligent over te schrijven en
rekening te houden met relevante jurisprudentie. Het overhevelen van de
talrijke bepalingen uit de aanbestedingsrichtlijnen naar wetgeving in
formele zin zou een bijzonder omvangrijk wetsvoorstel opleveren. Nu de
Nederlandse wetgever vrijwel geen ruimte heeft betrokken bepalingen
andersluidend vast te stellen is er ook uit oogpunt van democratische
legitimatie of primaat van de wetgever geen meerwaarde van regeling op
het niveau van wet in formele zin. Belangrijke nadelen zijn er echter wel:
de bijzonder omvangrijke en gedetailleerde wetgeving in formele zin zou
vaak gewijzigd moeten worden, ook om relatief minieme wijzigingen in
overeenstemming te brengen met het actuele Europese recht. Als gevolg
van het moeten volgen van de wetsprocedure is er bovendien een fors
risico dat omzetting niet op tijd geschiedt. Dit levert niet alleen formeel
een inbreuk op het Europese recht op naar aanleiding waarvan de Euro-
pese Commissie een zogenoemde infractieprocedure kan starten en kan
vorderen dat het Hof van Justitie Nederland een boete oplegt. Richting
instanties, overheden en bedrijven kan in een dergelijk geval ook mate-
rieel afbreuk gedaan worden aan de rechtszekerheid en moet in bepaalde
gevallen zelfs rekening worden gehouden met schadeclaims. Dit geldt des
te meer bij aanpassingen als gevolg van nieuwe jurisprudentie. Daar is de
onzekerheid vaak het grootst terwijl geen implementatietermijn geldt,
zodat maximaal haast gemaakt moet worden met aanpassing van de
regelgeving.
De commissie merkt terecht op dat delegatie niet mag leiden tot een
onvoldoende helder beeld bij burgers, instellingen en andere overheden
over bevoegdheden, gevolgen en lasten en ook niet aan doeltreffende
(parlementaire) controle in de weg mag staan. Bij het volgen van het
huidige wetgevingsbeleid op dit punt is dit naar mijn mening voldoende
gewaarborgd. Het is van belang daarbij op te merken dat in aanvulling op
de aspecten en de aanwijzingen voor de regelgeving die de commissie
reeds noemt in het wetgevingsbeleid van de regering nog twee aspecten
een belangrijke rol spelen:
a. delegatie aan de regering (bij algemene maatregel van bestuur) is
eerder toelaatbaar dan (sub)delegatie aan een minister (bij regeling),
onder andere omdat de Raad van State advies uitbrengt over algemene
maatregelen van bestuur en de ministerraad er als geheel over besluit. De
door de commissie in het verslag genoemde aspecten zijn in het
wetgevingsbeleid van de regering de indicaties voor geoorloofdheid van
een regeling. Delegatie aan de regering wordt dus ruimer toelaatbaar
geacht dan delegatie aan een minister.
b. het karakter van implementatiewetgeving brengt volgens aanwijzing
339 van de aanwijzingen voor de regelgeving met zich dat aan het primaat
van de wetgever een andere invulling kan worden gegeven. Zoals in deze
aanwijzing is bepaald, komt in het kader van implementatie delegatie van
regelgevende bevoegdheid dan ook eerder in aanmerking naarmate (a)
het te implementeren besluit de Nederlandse wetgever bij de uitvoering
minder ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke
1 Kamerstukken I 2004/05, 29 200 VI nr. F.
aard, (b) het te implementeren besluit gedetailleerd van aard is, (c) de
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
3

termijn waarbinnen de implementatie moet geschieden korter is, en (d)
wordt verwacht dat het te implementeren besluit vaker wordt gewijzigd.
Als hierboven betoogd zijn deze gronden alle van toepassing binnen het
aanbestedingsrecht.
Ten aanzien van de delegatiebepaling van artikel 17 hecht ik er tenslotte
nog aan op te merken dat de reikwijdte ervan nauwgezet beperkt is en wel
door dubbele (cumulatieve) clausulering:
­ de lagere regeling kan slechts strekken tot uitvoering van een bepaald
soort richtlijnen (namelijk richtlijnen die geheel of gedeeltelijk berusten op
de artikelen 47, 55 en 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap) die betrekking hebben op aanbesteden én
­ de lagere regeling is beperkt tot de in deze bepaling aangeduide onder-
werpen (procedurevoorschriften, de geschiktheid van ondernemers, tech-
nische eisen, gunningscriteria, het verstrekken van informatie, en admini-
stratieve voorschriften betreffende de rechtsbescherming).
Door deze clausulering acht ik het uitgesloten dat er «oprekking» van de te
regelen materie plaatsvindt zodanig dat de gedelegeerde wetgever ruimte
krijgt voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard die nog
aparte besluitvorming door de wetgever in formele zin zouden rechtvaar-
digen. Dergelijke clausulering naar onderwerpen (geen «open delegatie»)
is overigens ook weer geheel in lijn met het beleid zoals neergelegd in de
eerdergenoemde brief van de Minister van Justitie aan uw Kamer van
27 juli 2004 inzake de relatie tussen implementatie en delegatie.1
Tenslotte de artikelen 19, 20 en 21: hierin staan delegatiegrondslagen die
de gedelegeerde wetgever wel degelijk enige ruimte geven voor het
maken van beleidsinhoudelijke keuzes. Ook hier zal overigens regelmatig
sprake zijn van Europeesrechtelijk verplichte omzetting van bijvoorbeeld
inzichten uit de jurisprudentie en van sterke samenhang met de Europees-
rechtelijk dichtgeregelde materie. Niettemin is ook bij de omzetting van
jurisprudentie de beoordelingsruimte al groter dan bij de implementatie
van richtlijnen en zullen regelmatig afwegingen gemaakt moeten worden.
Ook zal op een aantal punten sprake zijn van duidelijk nationale invulling.
Juist om redenen van overzichtelijkheid en kenbaarheid ligt het echter niet
erg voor de hand deze bepalingen op te nemen in een ander besluit (zoals
dit wetsvoorstel) dan de algemene maatregel van bestuur waarin de
belangrijke voorschriften uit de aanbestedingsrichtlijnen op grond van
artikel 17 op overzichtelijke wijze bij elkaar staan. Dat zou immers aanlei-
ding geven tot (terechte) klachten over verbrokkelde regelgeving.
Op grond van artikel 23 van het wetsvoorstel zullen ook deze bepalingen
in ontwerp aan beide Kamers worden voorgelegd. Zo is gewaarborgd dat
ook het nadeel van mogelijk verminderende parlementaire controle op de
inhoud van deze bepalingen afdoende is ondervangen.
2. Enkele materiële aspecten van het wetsvoorstel
Behalve de algemene vragen over het delegatievraagstuk hebben de
leden van de commissie nog een aantal andere vragen. Deze vragen zal ik
hieronder beantwoorden.
Oplossing van knelpunten en problemen uit de parlementaire enquête
De vaste commissie vraagt hoe de bij de parlementaire enquête Bouwnij-
verheid naar voren gekomen knelpunten en problemen van versnippering
en verkokering concreet worden aangepakt.
De volgende initiatieven zijn hiertoe in ieder geval in voorbereiding:
­ Er komt één uniforme wijze van beoordeling van de integriteit van
1 Kamerstukken I 2004/05, 29 200 VI, nr. F.
ondernemingen die meedingen naar overheidsopdrachten. Overwogen
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
4

wordt de invoering van deze wijze van beoordeling zal, gelet op de
uitvoerbaarheid, in fasen te laten plaatsvinden. Hierbij zal prioriteit
gegeven worden aan de categorie werken.
­ Het kabinet is voornemens om in de regelgeving ter uitwerking van dit
wetsvoorstel de grenzen aan te geven van proportionele selectie-eisen. Dit
om te voorkomen dat aanbestedende diensten nog langer disproportio-
nele eisen stellen aan bedrijven
­ Door het invoeren van een samenhangend regelgevend kader wordt
een einde gemaakt aan de lappendeken van decentrale regels en
aanbestedingsreglementen die aanbestedende diensten hanteren vooral
bij het plaatsen van opdrachten onder de drempels. In de regelgeving ter
uitwerking van dit wetsvoorstel zullen bepalingen worden opgenomen ter
uniformering van regels voor opdrachten onder de drempel.
­ Aanbestedingsprocedures worden gestroomlijnd en verbeterd waarbij
o.a. door het faciliteren van ICT-toepassingen in aanbestedings-
procedures, de lasten van het bedrijfsleven worden teruggedrongen. Dit
zal gebeuren in de regelgeving ter uitwerking van dit wetsvoorstel.
De huidige raamwet biedt niet de mogelijkheid om deze gesignaleerde
knelpunten in de huidige uitvoeringspraktijk op te lossen.
Ik onderschrijf de visie van de commissie dat er in de praktijk behoefte
bestaat aan uniformiteit en helderheid. In dat verband wijs ik er op dat
aanbestedende diensten het signaal hebben afgegeven sterk te hechten
aan bindende regelgeving waarin iedere aanbestedingsprocedure afzon-
derlijk wordt uitgeschreven. De bestaande algemene maatregelen van
bestuur (het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten en
het Besluit aanbestedingen speciale sectoren) zijn evenwel niet opgesteld
volgens het stramien waarbij iedere procedure apart is uitgeschreven.
Indien het uitschrijven van procedures zich zou beperken tot handlei-
dingen en leidraden en geen plaats heeft in bindende regelgeving, bestaat
het risico dat er toch nog aparte aanbestedingsreglementen blijven
bestaan. In dat geval zijn de aanbestedingsregels niet eenvoudig genoeg
toegankelijk en werkbaar voor de alledaagse aanbestedingspraktijk en
bieden handleidingen en leidraden vanwege het gebrek aan juridische
bindendheid onvoldoende zekerheid.
Om de behoefte aan aparte aanbestedingsreglementen en decentrale
regels tegen te gaan, onderzoek ik momenteel in overleg met de aanbe-
stedende diensten de mogelijkheid om de twee bestaande algemene
maatregelen van bestuur te vervangen door algemene maatregelen van
bestuur waarin de aanbestedingsprocedures telkens afzonderlijk worden
beschreven. Beoogd wordt hiermee ook de kenbaarheid te vergroten.
Deze «ombouwoperatie» van de bestaande algemene maatregelen van
bestuur zou dan op korte termijn ter hand genomen worden.
Regels voor opdrachten onder de drempelwaarden
Het lijkt de commissie wenselijk dat er op korte termijn regels komen voor
nationale opdrachten (aanbestedingen beneden de drempelwaarden van
de Europese richtlijnen) omdat het voor het bedrijfsleven een zware last is
om bij vele lagere overheden steeds maar weer verschillende regels tegen
te komen.
Ik deel uw visie volledig. Op grond van artikel 21 van het wetsvoorstel zal
ik voorstellen het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
uit te breiden met regels voor het plaatsen van dit type overheidsop-
drachten.
Voor opdrachten van speciale-sectorbedrijven geldt een aanbestedings-
richtlijn met een lichter regime dan die voor overheidsopdrachten en met
hogere drempels. Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Besluit aanbe-
stedingen speciale sectoren. Ik zie vooralsnog geen noodzaak de voorge-
stelde regels onder de drempel ook tot deze sectoren uit te breiden.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
5

Arbitrage
De commissie vraagt de regering het voorgestelde verbod op arbitrage
(artikel 22 van het wetsvoorstel) te heroverwegen. De commissie stelt dat
dit verbod haaks staat op het streven van de regering om ruim baan te
geven aan alternatieve geschilbeslechting. Voor de duidelijkheid breng ik
dan ook onder de aandacht van de commissie dat artikel 22 niet alle
vormen van alternatieve geschilbeslechting uitsluit. Slechts één specifieke
vorm van alternatieve geschilbeslechting wordt uitgesloten in artikel 22,
namelijk arbitrage in de zin van artikel 1020 van het Wetboek van Burger-
lijke Rechtsvordering. Alle andere vormen van alternatieve geschil-
beslechting worden niet geraakt door artikel 22 en blijven aldus mogelijk.
De reden dat de regering deze specifieke vorm van alternatieve geschil-
beslechting uitsluit in aanbestedingszaken, is omdat met (deze vorm van)
arbitrage een aanbestedingsgeschil tussen een ondernemer en een
aanbestedende dienst niet meer inhoudelijk door de rechter kan worden
behandeld, hetgeen ook naar de mening van de Raad van State in strijd is
met de zogenoemde rechtsbeschermingsrichtlijn (richtlijn nr. 89/665/EEG).
Het voorstel van de commissie om onafhankelijke arbitrale colleges aan te
wijzen die de beslechting van aanbestedingsgeschillen voor hun rekening
kunnen nemen en bevoegd zouden zijn om prejudiciële vragen te stellen,
zou betekenen dat een tweede rechterlijke instantie ontstaat naast de
civiele rechter. Er zouden aldus twee rechterlijke instanties bevoegd zijn
tot geschilbeslechting in aanbestedingsgeschillen. Nog afgezien van het
beslag dat een tweede rechterlijke instantie zou leggen op de algemene
middelen, zou in die optie geen sprake meer zijn van een vorm van alter-
natieve geschilbeslechting.
Terecht stelt de commissie dat de rechtsbeschermingsrichtlijn geen eisen
stelt aan de beslechting van geschillen betreffende aanbestedingen die
niet onder het bereik van de Europese richtlijnen vallen. De regering acht
het echter wenselijk om voor beide groepen aanbestedingsgeschillen
dezelfde rechtsbescherming te garanderen aan ondernemers.
Overigens is de praktijk dat aanbestedende diensten voor het overgrote
deel van deze opdrachten, namelijk voor opdrachten voor werken onder
de Europese drempelwaarden, het ARW (het Aanbestedingsreglement
Werken 2005) toepassen. In dit ARW is arbitrage in de zin van artikel 1020
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering al sinds 2005 uitge-
sloten. Reden hiervoor was dat in het kader van de Parlementaire Enquête
Bouwnijverheid werd geconstateerd dat de rechtsbescherming van onder-
nemers verbeterd zou worden indien arbitrage niet meer toegestaan zou
zijn. Voor het overgrote deel van de opdrachten onder de Europese
drempelwaarden wordt dus al geen arbitrage toegepast. Artikel 22 van het
wetsvoorstel harmoniseert voor deze opdrachten slechts wat al staande
praktijk is.
Overheidsopdracht en opdracht
De commissie vraagt hoe de regering de relatie ziet tussen het begrip
«opdracht» in artikel 6 van het wetsvoorstel en de overeenkomst van
opdracht als bedoeld in boek 7, titel 7 van het Burgerlijk Wetboek.
De begrippen «overheidsopdracht» in artikel 5 en «opdracht» in artikel 6
van het wetsvoorstel hebben een andere betekenis dan het begrip «over-
eenkomst van opdracht» in de zin van boek 7, titel 7 van het Burgerlijk
Wetboek. Enerzijds hebben de begrippen «overheidsopdracht» en
«opdracht» een beperktere betekenis, doordat deze termen enkel zien op
overeenkomsten van aanbestedende diensten of speciale-sectorbedrijven.
De «overeenkomst van opdracht» in de zin van boek 7, titel 7 van het
Burgerlijk Wetboek ziet op overeenkomsten van een ieder. Anderzijds is de
betekenis van «overheidsopdracht» en «opdracht» breder dan het begrip
«overeenkomst van opdracht». Onder een «overeenkomst van opdracht»
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
6

in de zin van boek 7, titel 7 van het Burgerlijk Wetboek valt namelijk niet
een arbeidsovereenkomst en een opdracht voor het tot stand brengen van
een werk van stoffelijke aard. Dergelijke overeenkomsten vallen wel onder
de begrippen «overheidsopdracht» en «opdracht» in de zin van het wets-
voorstel.
Overigens zijn de begrippen «overheidsopdracht» in artikel 5 en
«opdracht» in artikel 6 van het wetsvoorstel direct overgenomen uit de
aanbestedingsrichtlijnen. Zoals is aangegeven in de artikelgewijze toelich-
ting van het wetsvoorstel is dit noodzakelijk om te waarborgen dat de
aanbestedingsrichtlijnen steeds juist en volledig geïmplementeerd zijn in
de Nederlandse aanbestedingsregelgeving. Doordat in het wetsvoorstel
dezelfde terminologie en definities worden gebruikt, wordt gewaarborgd
dat ontwikkelingen in de jurisprudentie betreffende de uitleg en reikwijdte
van de terminologie en definities in de aanbestedingsrichtlijnen (en
daarmee de reikwijdte van de aanbestedingsrichtlijnen zelf) steeds recht-
streeks doorwerken in de Nederlandse aanbestedingsregelgeving.
Aanpassen artikel 26 als gevolg van amendementen
De commissie wijst erop dat de tekst van artikel 26 nog nader gewijzigd
moet worden alsmede dat de materie die is geregeld in de Regeling
gegevensverstrekking overheidsopdrachten en speciale sectoren voortaan
op het niveau van algemene maatregel van bestuur moet worden vastge-
steld.
Dit is juist. Als gevolg van een aantal amendementen van de Tweede
Kamer zal de nadere regeling die op een aantal punten was voorzien op
het niveau van ministeriële regeling geregeld moeten worden op het
niveau van algemene maatregel van bestuur. De daarvoor benodigde
wijziging van artikel 26 zal onderdeel zijn van een algemeen wetsvoorstel
betreffende wetstechnische gebreken en leemten, dat binnenkort zal
worden ingediend.
Volledigheidshalve merk ik op dat van de gelegenheid gebruik gemaakt
zal worden om in dat wetsvoorstel nog een aantal wetstechnische
gebreken en leemten in de Aanbestedingswet te herstellen.
Inkoopbeleid en professionalisering
Innovatie, Partnerschap en Sustainability spelen volgens de commissie
nauwelijks een rol bij overheidsaanbestedingen. Stimulering van start ups
en MKB vindt hierbij niet plaats. Het komt de commissie voor dat urgente
professionalisering van aanbestedingen op deze punten niet wordt onder-
steund of afgedwongen.
Het kabinet hecht grote waarde aan de door de commissie geschetste
nieuwe ontwikkelingen Innovatie, Partnerschap en Sustainability en wil
deze daarom bij het inkopen ondersteunen. Aanbestedingsregels vormen
geen beperking voor toepassing van deze ontwikkelingen.
Aanbestedingsregels zijn echter geen effectief instrument om voor-
noemde ontwikkelingen af te dwingen. De aanbestedingsregelgeving
heeft namelijk betrekking op slechts een beperkt deel van het inkoop-
proces en beperkt zich tot voorschriften en procedures voor de wijze
waarop een aanbestedende dienst een opdracht in de markt plaatst.
Aanbestedingsbeleid is echter geen inkoopbeleid. De aanbestedings-
regelgeving schrijft dus niet voor wat er ingekocht wordt en met welke
producteigenschappen, regelt niet de productiewijze of de wijze waarop
projecten tot stand komen. Of een aanbestedende dienst innovatie en
sustainability nastreeft of in partnerschap een opdracht wil laten
uitvoeren, is inkoopbeleid en is eigen verantwoordelijkheid van die
aanbestedende dienst.
Dat er daarbij een urgente noodzaak is tot ondersteuning en de professio-
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
7

nalisering van aanbestedende diensten, ook op voornoemde punten, ben
ik met de commissie eens. Daarom is PIANOo (Professioneel en Innovatief
Aanbesteden, Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers) in het leven
geroepen. PIANOo biedt aanbestedende diensten ondersteuning in het
benutten van de mogelijkheden die de aanbestedingsregels bieden ook
voor het bevorderen van Innovatie, Partnerschap en Sustainability. Daar-
naast verschaft PIANOo voorbeelden van toe te passen best practices bij
het aanbesteden.
In het actieplan Professioneel Inkopen en Aanbesteden1 is het Regie-
bureau Inkoop Rijksoverheid beschreven. De inmiddels benoemde Central
Procurement Officer heeft mede als opdracht de toepassing van voor-
noemde ontwikkelingen te stimuleren en regisseren. Andere stimulerende
instrumenten ook meer op het terrein van inkoop zijn beschreven in het
actieplan Overheid als Launching Customer.2
Wel hecht ik er aan er op te wijzen dat het Europese recht beperkingen
stelt aan hetgeen met of via de aanbestedingsregelgeving kan worden
afgedwongen aan inkoopbeleid van aanbestedende diensten, omdat
iedere eis of voorwaarde die een aanbestedende dienst in een aanbeste-
dingsprocedure stelt een relatie moet hebben met het onderwerp van de
specifieke opdracht die wordt aanbesteed. Eisen aan leveranciers die geen
rechtstreeks verband hebben met de opdracht zijn niet toegestaan.
Het is niet mogelijk met of via de aanbestedingsregelgeving een bepaald
type ondernemingen te bevoordelen omdat dit in strijd zou zijn met het
non-discriminatie beginsel uit het EG-Verdrag. Daarom kunnen
opdrachten niet worden voorbehouden aan start-ups of MKB. Wel kan een
aanbestedende dienst in de praktijk van het aanbesteden opdrachten
verdelen in kleinere percelen en daarmee kleinere ondernemingen meer
kans bieden op het krijgen van een opdracht. In het kader van het flanke-
rend beleid informeert PIANOo aanbestedende diensten over de mogelijk-
heden daarvan.
Het wetsvoorstel bevat een basis voor het geven van nadere voorschriften
aan aanbestedende diensten om administratieve lasten van ondernemers
te verlagen. Het is mijn bedoeling langs deze weg de administratieve
procedures te vereenvoudigen. Vooral het MKB en start-ups zullen hierbij
gebaat zijn. Ook draagt PIANOo best practices uit met betrekking tot door
aanbestedende diensten aan bedrijven te stellen selectie-eisen.
De minister van Economische Zaken,
M. J. A. van der Hoeven
1 TK vergaderjaar 2005/2006, 26 966 nr. 3.
2 TK vergaderjaar 2005/2006, 30 501 nr. 2.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006­2007, 30 501, C
8