Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 20052006
30 501
Regels voor het gunnen van
overheidsopdrachten door aanbestedende
diensten en opdrachten door
speciale-sectorbedrijven (Aanbestedingswet)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 21 juni 2006
Algemeen
Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen
van de leden van de diverse Tweede Kamer-fracties. Ik heb grote waarde-
ring voor de voortvarendheid waarmee de vaste commissie voor Econo-
mische Zaken het verslag heeft uitgebracht. Voortvarendheid is geboden
want de huidige aanbestedingspraktijk kent een aantal belangrijke
problemen die niet kunnen worden opgelost aan de hand van de huidige
regelgeving.
Vastgesteld kan worden dat het wetsvoorstel op meerdere punten steun
vindt bij de vaste commissie voor Economische Zaken. Daar ben ik blij
mee, want het belang van het wetsvoorstel is groot. Zo klagen onderne-
mers over disproportionele eisen, over gebrek aan uniformiteit bij het
toepassen van de aanbestedingsregels door aanbestedende diensten,
over versnippering en verkokering vanwege de verschillende
aanbestedingsreglementen en over administratieve lasten. Ook is het
noodzakelijk gebleken de integriteit van potentiële opdrachtnemers te
onderzoeken. Voorts blijkt dat de naleving van de aanbestedingsregels
sterk te wensen overlaat en dat de bestaande Raamwet EEG-voorschriften
aanbestedingen inmiddels niet meer toereikend is voor een adequate
implementatie en uitvoering van de Europees- en internationale
aanbestedingsverplichtingen. Doel van dit wetsvoorstel is om Nederland
te voorzien van een modern wettelijk kader voor het aanbesteden van
(overheids)opdrachten waarmee deze knelpunten kunnen worden
verholpen. Daartoe worden regels gesteld op het punt van integriteit en
wordt een basis gelegd voor het ontwikkelen van nadere regels op het
gebied van proportionaliteit, ter stroomlijning van procedures en voor het
plaatsen van opdrachten buiten het regime van de aanbestedings-
richtlijnen («onder de drempel»). Naast voornoemde steun voor het wets-
voorstel leeft er bij uw Kamer nog een aantal vragen. Die vragen zal ik
hieronder beantwoorden.
KST98728
0506tkkst30501-6
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2006
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
1
Uniformiteit (terugdringen versnippering)
Door leden van de fracties van CDA, PvdA, SP en CU werd gesteld dat de
versnippering en verkokering die het gevolg is van de verschillende
aanbestedingsreglementen niet zou worden tegengegaan door dit wets-
voorstel. Deze stelling onderschrijf ik niet. Dit wetsvoorstel bevat namelijk
een aantal belangrijke handvatten om deze versnippering en verkokering
van aanbestedingsregels als gevolg van de zogenoemde aanbestedings-
reglementen terug te dringen. Handvatten die de huidige Raamwet
EEG-voorschriften aanbestedingen overigens niet bevat.
Ten eerste is in artikel 19 van het wetsvoorstel gewaarborgd dat de inte-
griteit van ondernemers steeds wordt beoordeeld op eenzelfde wijze, aan
de hand van dezelfde gegevens, en steeds door dezelfde instantie. Onder-
nemers weten daardoor niet alleen waarop ze beoordeeld worden en hoe,
maar zijn er tevens van verzekerd dat die integriteitstoets steeds op
dezelfde manier zal gebeuren.
Ten tweede maakt artikel 20 van onderhavig wetsvoorstel het mogelijk
grenzen te stellen aan de eisen, voorwaarden en criteria die aanbeste-
dende diensten stellen en aan de hand waarvan zij ondernemers selec-
teren. Hiermee wordt voorkomen dat aanbestedende diensten mogelijk
disproportionele eisen, voorwaarden en criteria stellen die veelal een
goede concurrentie belemmeren.
Ten derde zullen op grond van artikel 21 van dit wetsvoorstel nadere
regels worden gesteld ter bevordering van de gelijke behandeling van
ondernemers, ter bevordering van de concurrentie tussen ondernemers,
en ter waarborging van de uniformiteit van de aanbestedingsprocedure.
Met de nadere regelgeving van integriteit en proportionaliteit (op grond
van de artikelen 19 en 20 van het wetsvoorstel) wordt het voor aanbeste-
dende diensten nagenoeg onmogelijk om voor deze onderwerpen ten
aanzien van overheidsopdrachten boven de Europese drempelwaarden
nog decentrale regels vast te stellen. Het stellen van de nadere regels op
grond van artikel 21 zal ten aanzien van zowel opdrachten beneden als
boven de Europese drempelwaarden direct tot gevolg hebben dat er
minder ruimte bestaat voor aanbestedende diensten om aanbestedings-
reglementen op te stellen. Met de nadere regelgeving wordt aldus een
vergaande uniformering bereikt in vergelijking met de huidige situatie en
wordt de duidelijkheid en de transparantie van de aanbestedingsregels
vergroot. Voorts heb ik in de memorie van toelichting een aantal flank-
erende maatregelen aangekondigd waarmee de behoefte aan regle-
menten wordt teruggedrongen door andere informatievoorzieningen
beschikbaar te maken.
Vanzelfsprekend zal niet alle vrijheid om beleidsregels op het gebied van
aanbestedingen op te stellen door nadere regelgeving worden ingeperkt.
Dat past niet in de decentrale structuur van het bestuurlijk systeem in
Nederland. Voorts zou dit de flexibiliteit van de aanbestedende diensten
onnodig inperken. Voor zover er nog decentrale regels gesteld worden, zal
een transparantievoorschrift worden vastgesteld om de toegankelijkheid
van die decentrale aanbestedingsregels te vergroten. Op grond van artikel
21 zal aan aanbestedende diensten de verplichting worden opgelegd om
bij de aankondiging van de (overheids)opdracht te vermelden welke
decentrale (beleids)regels eventueel van toepassing zijn.
Het streven van het kabinet is om zowel dit wetsvoorstel als de nadere
regelgeving die nodig is voor het terugdringen van de versnippering en
verkokering van aanbestedingsregels op hetzelfde tijdstip in werking te
laten treden. Terecht werd door de leden van SP-fractie en de CU-fractie
opgemerkt dat de gesignaleerde knelpunten door de Raad van State pas
worden opgelost nadat deze regels van kracht zijn geworden, en dat de
beoogde termijn waarop deze regels van kracht worden aldus van groot
belang is.
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
2
Ik hoop dat dit wetsvoorstel nog deze kabinetsperiode door beide Kamers
wordt aangenomen. Mijn streven is de concept-amvb's in het eerste kwar-
taal van 2007 overeenkomstig de in dit wetsvoorstel voorziene procedure
voor te hangen bij de Tweede Kamer. Uitgaande van dit tijdpad kunnen de
nieuwe aanbestedingswet en de nadere regelgeving vervolgens tegelijker-
tijd na de zomer van 2007 inwerking treden.
De leden van de CU-fractie hebben mij in dit verband nog gevraagd of ik
bij het opstellen van de nadere regelgeving ook het belang van het
bedrijfsleven in het oog zal houden, en of de voorstellen getoetst worden
aan de praktijk en worden voorgelegd aan experts uit het bedrijfsleven.
Dat zal ik zeker doen. Steeds zal bij het opstellen van die regels gezocht
moeten worden naar een balans tussen de belangen, wensen en (admini-
stratieve) lasten van de bij een aanbesteding betrokken partijen. Voor-
stellen voor nadere regelgeving zullen dan ook worden besproken met
vertegenwoordigers van aanbestedende diensten en van ondernemers. Zij
zullen evenals bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel in de gelegenheid
worden gesteld om hun reacties, praktijkervaringen en wensen naar voren
te brengen.
Met bovenstaande maatregelen zal ik in lijn met de gedachte van het
tussentijdse advies van de Regieraad Bouw bevorderen dat zich in de
bouwpraktijk een uniforme standaard kan ontwikkelen voor zowel de
informatievoorziening (een elektronisch stappenplan), regels ter waarbor-
ging van een goed verloop en van de uniformiteit van aanbestedings-
procedures in o.a. de bouw, alsmede voor opdrachten (o.a. bouw-
opdrachten) beneden de Europese drempelbedragen.
De leden van de PvdA-fractie vroegen voorts hoe dit wetsvoorstel zich
verhoudt tot het Aanbestedingsreglement Werken 2005 (ARW 2005).
De Europese aanbestedingsrichtlijnen zijn op grond van de Raamwet
EEG-voorschriften geïmplementeerd middels het Besluit aanbestedings-
regels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao). Deze algemene maatregel
van bestuur heeft betrekking op alle overheidsopdrachten voor werken,
leveringen en diensten boven de Europese drempelwaarde en is verplicht
voor alle aanbestedende diensten in Nederland.
Het ARW 2005 is opgesteld door de Ministers van Volkshuisvesting, Ruim-
telijke Ordening en Milieubeheer, van Defensie, van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, en van Verkeer en Waterstaat. Middels een beleids-
regeling van deze ministers is het ARW 2005 van toepassing op het over-
grote deel van de overheidsopdrachten voor werken van deze ministers.
Het ARW 2005 geldt dus niet voor de overheidsopdrachten voor leve-
ringen en diensten van deze ministers. Daarnaast maakt een aantal decen-
trale overheden vrijwillig gebruik van het ARW 2005 bij het verstrekken
van overheidsopdrachten voor werken.
Het ARW 2005 vervult drie functies. Ten eerste herhaalt het ARW 2005 de
in het Bao gestelde voorschriften voor overheidsopdrachten voor werken.
Het ARW 2005 bevat een stap-voor-stap-beschrijving van de aanbeste-
dingsprocedures en koppelt die aan de wettelijke voorschriften waar de
aanbestedende dienst per stap mee te maken heeft. Dit is de belangrijkste
functie van het ARW 2005. Zoals vermeld is in de memorie van toelichting
zal in de behoefte aan informatie over de aanbestedingsregels en over de
stappen in de aanbestedingsprocedures in de toekomst worden voorzien
door het aanbieden van een nationaal elektronisch aanbestedings-
instrument (TenderNed). Hierbij zal worden aangesloten bij de huidige
systematiek van het ARW 2005.
Ten tweede bevat het ARW 2005 enkele administratieve regels voor het
aanbesteden met name ter stroomlijning van de procedure. Deze kunnen
worden overgenomen in het Bao op grond van de artikelen 20 en 21 van
dit wetsvoorstel die een grondslag geven voor het stellen van nadere
regels ter waarborging van een goed verloop en van de uniformiteit van
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
3
de aanbestedingsprocedure alsmede ter vermindering van administra-
tieve lasten.
Ten derde bevat het ARW 2005 een aantal voorschriften voor het
verstrekken van overheidsopdrachten voor werken waarvoor geen
communautaire of internationale regels gelden, zoals overheidsop-
drachten voor werken beneden de Europese drempelbedragen. Op grond
van artikel 21 van dit wetsvoorstel wil het kabinet voor deze categorie
overheidsopdrachten een aantal nadere regels vaststellen die gelden voor
alle aanbestedende diensten en voor alle opdrachten beneden de Euro-
pese drempelbedragen. Ook hier zullen de (administratieve) lasten in het
oog gehouden worden.
Zoals gezegd streeft het kabinet naar het terug dringen van het gebruik
van aanbestedingsreglementen zoals het ARW 2005 door in de functie
daarvan op een andere wijze te voorzien. Zodra dit het geval is, heeft het
ARW 2005 geen functie meer en kan het komen te vervallen. Daarmee is
ook het knelpunt van versnippering op dit punt opgelost.
Regels onder de Europese aanbestedingsdrempel
Zoals de leden van de CDA-fractie en de CU-fractie al opmerkten valt het
overgrote deel van de overheidsopdrachten beneden de drempelwaarden
van de Europese aanbestedingsrichtlijn. (5,3 mln voor werken en 0,21
resp. 0,14 mln. voor leveringen en diensten aan resp. de decentrale en
centrale overheid). Voor deze opdrachten gelden de Europese
aanbestedingsrichtlijnen dus niet.
Ook de leden van de VVD-fractie constateerden dat er voor decentrale
overheden zoals waterschappen, provincies en gemeenten geen
centrale uniforme regels zijn voor het aanbesteden van werken beneden
de EU-drempelbedragen. Ik merk op dat voor het plaatsen van opdrachten
voor leveringen en diensten er ook geen centrale uniforme regels zijn. Wel
is, maar alleen voor opdrachten voor werken van de rijksoverheid, bij
beleidsregel het ARW 2005 verplicht gesteld. Decentrale overheden en
centrale overheden hanteren eigen onderling verschillende (beleids)
regels voor het plaatsen van hun opdrachten.
In reactie op de vraag van de leden van de VVD-fractie of ik de noodzaak
zie van het streven naar uniforme aanbestedingsregels voor lokale over-
heden en de vraag van de leden van de CU-fractie wat ik denk te gaan
doen om deze duidelijkheid wel te creëren het volgende.
Ik deel de mening van de leden van de leden van deze fracties dat door de
verschillen in aanbestedingsregels die overheden hebben opgesteld voor
opdrachten die niet onder de Europese aanbestedingsregels vallen de
administratieve lasten en kosten voor bedrijven oplopen. Ook vermindert
de transparantie van het overheidshandelen. Zoals ik in de vorige para-
graaf over uniformiteit al aangaf ben ik voornemens om centrale uniforme
aanbestedingsregels vast te stellen voor deze groep opdrachten die
gelden voor alle overheden. In reactie op de vraag van de leden van de
CU-fractie bevestig ik dat hiermee de gesignaleerde verkokering en
versnippering van regelgeving wordt teruggedrongen. Zoals in de vorige
paragraaf werd opgemerkt, zal bij het opstellen van die regels steeds
gezocht moeten worden naar een balans tussen de belangen, wensen en
(administratieve) lasten van de bij een aanbesteding betrokken partijen.
In reactie op de vraag van de leden van de CU-fractie bevestig ik dat een
dergelijk stelsel de Europese regelgeving als uitgangspunt zal hebben.
Immers voor alle overheidsopdrachten (zowel onder als boven de grens)
gelden (zie artikelen 9 t/m 13 wetsvoorstel) de beginselen van aanbe-
steden uit het EU-Verdrag; gelijke behandeling, non-discriminatie, trans-
parantie en proportionaliteit. Daarom zijn in overeenstemming met het
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
4
advies van de Raad van State deze beginselen opgenomen in het wets-
voorstel. Voor de grotere opdrachten bevatten de Europese
aanbestedingsrichtlijnen procedures, waarmee aan deze beginselen wordt
tegemoet gekomen. Deze zijn in de besluiten Bao en Bass (Besluit aanbe-
stedingen speciale sectoren) geïmplementeerd. Voor minder grote
opdrachten (onder de drempel) wordt het aan de lidstaten overgelaten
eventueel procedures voor te schrijven waarmee naleving van de begin-
selen wordt verzekerd. De meeste lidstaten hebben hiervoor wetgeving,
op basis van dit wetsvoorstel kan Nederland die nu ook opstellen.
Relatie met EU-regelgeving
De leden van de CDA-fractie wilden weten hoe de regering oordeelt over
de algemene opmerking van de Raad van State dat een aantal zaken niet
in overeenstemming is met de Europese richtlijnen.
Allereerst constateert de Raad een zekere spanning tussen de
rechtsbeschermingsrichtlijn en het zogenoemde arbitraal beding. Deze
constatering is terecht. Derhalve is in artikel 22 van het wetsvoorstel een
voorziening getroffen waardoor die spanning wordt opgeheven. Verder
constateert de Raad dat in het wetsvoorstel een definitie van het begrip
«bijzonder of uitsluitend recht» wordt gehanteerd die tekstueel enigszins
afwijkt van de definitie van dit begrip in de aanbestedingsrichtlijnen. In
het nader rapport heb ik aangegeven dat dit noodzakelijk is om materieel
te voldoen aan de strekking van de aanbestedingsrichtlijnen alsmede om
eenduidigheid met andere implementatieregelgeving (de Mededingings-
wet) te waarborgen. Tenslotte stelt de Raad dat het integriteitsbeleid dat in
het wetsvoorstel wordt voorgesteld niet in overeenstemming is met het
systeem van de aanbestedingsrichtlijnen. Die stelling onderschrijf ik niet.
Op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen blijkt immers dat het een bevoegdheid is van de
lidstaten om de uitsluitingsgronden uit de richtlijnen in een nationale
regeling op te nemen en om te bepalen hoe ver ze daarmee willen gaan.
Ook de aard van het instrument richtlijn brengt met zich mee dat het in dit
wetsvoorstel voorgestelde integriteitsbeleid wel in overeenstemming is
met de aanbestedingsrichtlijnen.
In de paragrafen 2, 4, sub b en 5 van het nader rapport heb ik het boven-
staande nader uiteengezet.
In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie op welke
punten de Nederlandse implementatie afwijkt van de Europese richtlijnen
constateer ik dat er geen sprake is van een afwijking. Het wetsvoorstel
biedt juist de basis voor implementatie van de Europese richtlijnen. Het
heeft wel een ruimere strekking dan alleen het bieden van een basis voor
die implementatie. Naast het belang van het verzekeren van de inter-
statelijke mededinging de primaire invalshoek van de richtlijnen
worden ook regels gegeven ten behoeve van onder meer het beperken
van de administratieve lasten en het bevorderen van innovatie. De in de
wet genoemde beginselen die als grondslag voor deze regelgeving
dienen, hebben dan ook een ruimere strekking dan enkel de implemen-
tatie van de Europese richtlijnen. Hoewel het wetsvoorstel aldus meer is
dan puur technische implementatie van de aanbestedingsrichtlijnen, zijn
de nationale accenten naar mening van het kabinet noodzakelijk voor een
goede en volledige uitvoering van die richtlijnen en van het Verdrag.
Een eerste nationaal accent wordt gelegd bij de integriteit van onderne-
mingen, dit vanwege de in de Tweede Kamer geuite wens om geen zaken
te doen met niet-integere bedrijven. De richtlijnen verplichten alleen tot
uitsluiting van inschrijvers die zich hebben schuldig gemaakt aan de
zwaarste categorie delicten (deelneming aan een criminele organisatie,
omkoping, fraude met EU-middelen, witwassen). Verder beschrijven de
richtlijnen een aantal omstandigheden waaronder een onderneming van
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
5
deelname aan een opdracht kan worden uitgesloten. De richtlijnen geven
aan dat lidstaten de voorwaarden voor toepassing van het voorgaande
dienen te bepalen. Artikel 19 van het wetsvoorstel legt daartoe de basis. In
dat artikel wordt bepaald hoe de integriteit van een onderneming dient te
worden bepaald en welke delicten leiden tot niet afgeven van een
integriteitverklaring en dus uitsluiten. Gekozen is voor een centrale toet-
sing van ondernemingen en niet voor een toetsing door aanbestedende
diensten zelf, waardoor rechtsgelijkheid wordt verzekerd.
Ook wordt een accent gelegd bij de proportionaliteit van eisen die aan
ondernemingen worden gesteld. Overheidsopdrachtgevers moeten
volgens de beginselen van het aanbesteden en ook volgens de richtlijnen
proportioneel zijn in de eisen, voorwaarden en criteria die zij stellen aan
opdrachtnemers. Omdat het in de praktijk soms onvoldoende helder blijkt
te zijn hoe dit beginsel van proportionaliteit moet worden toegepast bevat
het wetsvoorstel in een artikel 20 een grondslag om deze gewenste duide-
lijkheid te verschaffen.
Een derde accent vormt artikel 21 dat een basis verschaft voor het stellen
van nadere regels (zowel voor opdrachten boven als beneden de
aanbestedingsdrempels) om te bevorderen dat gelijke behandeling,
concurrentie tussen ondernemers, innovatie en transparantie plaatsvindt.
De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd welke acties er op dit
moment op Europees niveau worden genomen om de aanbesteding
duidelijker, transparanter en eenvoudiger te maken en of ik hier invloed
op kan uitoefenen.
Wat de Communautaire wetgeving betreft is met de vaststelling van de
aanbestedingsrichtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG onlangs een omvang-
rijke herziening en vereenvoudiging van de Europese aanbestedingsregels
voor overheidsopdrachten afgerond. Nadere actie op dit punt ligt dan ook
niet binnen afzienbare tijd voor de hand. Voornoemde richtlijnen zijn in
vergelijking met hun voorgangers veel eenvoudiger, duidelijker, flexibeler
en moderner. Door de verbeterde opzet zijn deze twee richtlijnen beter
toegankelijk en beter leesbaar. Voorts is een aantal (voorheen) onduide-
lijke of ingewikkelde begrippen en bepalingen verduidelijkt. Ook is juris-
prudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
gecodificeerd, hetgeen de Europese aanbestedingsregels beter kenbaar
maakt. Tenslotte zijn een aantal flexibelere aanbestedingsprocedures
toegevoegd, zoals de concurrentiegerichte dialoog, en is het elektronisch
aanbesteden vergemakkelijkt.
Voor opdrachten waarop de aanbestedingsrichtlijnen niet van toepassing
zijn (zoals opdrachten onder de drempelwaarden) werkt de Europese
Commissie op dit moment in samenspraak met de lidstaten aan een inter-
pretatief document met procedure-eisen. Voorts heeft de Europese
Commissie diverse ingebrekestellingprocedures gestart omdat zij meent
dat ook opdrachten waarop de aanbestedingsrichtlijnen niet van toepas-
sing zijn vooraf bekend gemaakt moeten worden en volgens een open en
transparante procedure (aldus in volledige concurrentie) moeten worden
gegund. De Nederlandse regering neemt actief deel aan deze discussie,
o.a. middels interventie bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeen-
schappen. Het standpunt van de Commissie wordt op een aantal punten
niet wordt gedeeld, omdat het leidt tot onnodige lasten voor aanbested-
ende diensten en bedrijven. De verwachting is dat deze discussie ertoe zal
leiden dat de verstrekking van opdrachten waarop de aanbestedings-
richtlijnen niet van toepassing zijn, voor ondernemers duidelijker en trans-
paranter en daardoor toegankelijker worden.
Het antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de
omvang van de gunning aan buitenlandse partijen is dat aangenomen
wordt dat ongeveer 3% van de opdrachten die Europees worden aanbe-
steed wordt gegund aan een buitenlands bedrijf. Uit recent onderzoek van
de Europese commissie blijkt dat in Europa 3% van de offertes van een
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
6
buitenlands bedrijf afkomstig zijn. Ik verwacht niet dat het wetsvoorstel
verandering zal brengen in deze beperkte mate van grensoverschrijdend
aanbesteden.
De leden van de CU-fractie hebben gevraagd naar de verhouding van
onderhavig wetsvoorstel met de nog uit te komen aanbestedingsrichtlijn.
Zij hebben zich verder afgevraagd of de regering de mening van deze
leden deelt dat de Kamer zo niet goed af kan wegen waarom bepaalde
zaken in de richtlijn geregeld worden en niet wettelijk worden vastgesteld.
Ik ga er vanuit dat deze fractieleden het oog hebben op de richtlijnen
2004/17/EG en 2004/18/EG1. Deze richtlijnen zijn met ingang van
1 december 2005 geïmplementeerd in het Besluit aanbestedingsregels
voor speciale sectoren (Bass), het Besluit aanbestedingsregels voor
overheidsopdrachten (Bao) en de Regeling gegevensverstrekking
overheidsopdrachten en speciale sectoren. Alle voorschriften uit de
aanbestedingsrichtlijnen zijn opgenomen in het Bao en het Bass (met
uitzondering van de zogenoemde statistiekverplichtingen). Deze besluiten
zijn voor hun vaststelling via een voorhangprocedure voorgelegd aan de
Tweede Kamer. De vragen van de Kamer omtrent de conceptbesluiten heb
ik beantwoord bij brief van 7 juli 2005 (TK 29 709, nr. 6).
Voor de volledigheid merk ik op dat de Europese Commissie op het
gebied van aanbestedingen een voorstel voor wijziging van de
rechtsbeschermingsrichtlijnen voorbereidt. Op dit moment is de inhoud
daarvan nog onduidelijk.
Teneinde de door de leden van de CU-fractie bedoelde afweging van de
Kamer te faciliteren is in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel
in diverse paragrafen aandacht besteed aan de verhouding van dit wets-
voorstel tot de aanbestedingsrichtlijnen, aan de afweging omtrent de
gekozen implementatietechniek alsmede aan de afweging omtrent het
niveau van regelgeving waarop deze richtlijnen worden geïmplementeerd.
Aan de hand van een transponeringstabel is in paragraaf 2.4.1. van de
toelichting op het wetsvoorstel uiteengezet welke bepalingen uit de
aanbestedingsrichtlijnen worden geïmplementeerd door het wetsvoorstel.
In de toelichting op de artikelen 1 tot en met 17 van het wetsvoorstel
wordt verklaard waarom enige voorschriften uit de richtlijn worden geïm-
plementeerd in het wetsvoorstel. Ondermeer wordt uiteengezet dat de
voorschriften uit de aanbestedingsrichtlijnen voor het overgrote deel
geïmplementeerd worden in Bao en Bass en wat de redenen hiervoor zijn.
Dit wetsvoorstel biedt de basis voor de implementatie in voornoemde
regelingen. Deze aanpak is in overeenstemming met de normale regels
die gelden voor de vraag of bepaalde materie bij regeling, algemene
maatregel van bestuur of wet in formele zin geregeld moet worden. Het
karakter van implementatiewetgeving brengt volgens aanwijzing 339
immers mee dat aan het primaat van de wetgever een andere invulling
kan worden gegeven. Zo bestaan de aanbestedingsrichtlijnen voor een
groot deel uit gedetailleerde voorschriften die de Nederlandse wetgever
soms in het geheel geen ruimte laat voor het maken van keuzen van
beleidsinhoudelijke aard. Doordat de Europese Commissie op een aantal
punten de bevoegdheid heeft om op aanbestedingsrichtlijnen bij gedele-
1
geerde verordening of beschikking vast te stellen kunnen dergelijke wijzi-
Richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie
gingen voorts gepaard gaan met zeer korte implementatietermijnen. Daar-
van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie
naast is gebleken dat uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese
van de procedures voor het plaatsen van
Gemeenschappen onverwacht dwingen tot wijziging van de Nederlandse
overheidsopdrachten voor werken, leveringen
regelgeving op korte termijn. De in dit wetsvoorstel opgenomen
en diensten (PbEG L 134), en richtlijn nr.
2004/17/EG van het Europees parlement en de
delegatiegrondslag is derhalve noodzakelijk teneinde volledige en tijdige
Raad van de Europese Unie houdende coördi-
implementatie van deze richtlijnen te verzekeren. Overigens is de reik-
natie van de procedures voor het plaatsten
wijdte van deze delegatiebepaling nauwkeurig beperkt en wel door
van opdrachten in de sectoren water- en
dubbele (cumulatieve) clausulering.
energievoorziening, vervoer en postdiensten
(PbEG L 134).
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
7
De leden van de CU-fractie hebben gevraagd hoe in Brussel wordt aange-
keken tegen de keuze van de regering om zoveel mogelijk aanbestedings-
regels vast te leggen in lagere wetgeving.
Aangezien het hier richtlijnen betreft, is de vraag omtrent het niveau van
regelgeving primair een nationale aangelegenheid. Een richtlijn is name-
lijk bindend voor wat betreft het resultaat, maar de lidstaten zijn vrij ten
aanzien van de vorm en de middelen om dat resultaat te bereiken. Een
wet, een amvb en een ministeriële regeling zijn algemeen geaccepteerde
niveaus van regelgeving voor de implementatie van Europese richtlijnen.
Vanuit Brussels perspectief is wel van belang of Nederland een richtlijn
tijdig heeft geïmplementeerd. Brussel is dan ook tevreden dat Nederland
de aanbestedingsrichtlijnen reeds op 1 december 2005 heeft geïmplemen-
teerd. Slechts 6 lidstaten (waaronder Nederland) hebben namelijk de
uiterste implementatiedatum van 31 januari 2006 gehaald. Dat Nederland
die termijn heeft gehaald, komt in overwegende mate doordat de
aanbestedingsrichtlijnen bij amvb en ministeriële regeling konden worden
geïmplementeerd.
Naleving
De leden van de VVD-fractie en de SP-fractie hebben gevraagd of de
rapportage aan de Europese Commissie over de Europese aanbeste-
dingen in Nederland in de toekomst gebaseerd blijft op de gegevens van
de CDIU-enquête. Voorts vroegen de leden van de VVD-fractie of in de
andere lidstaten soortgelijke methoden worden gehanteerd.
Het kabinet streeft ernaar om de Europese Commissie in de toekomst een
meer volledig beeld te geven van de Europese aanbestedingen in Neder-
land. Vaststaat dat de via het CDIU vergaarde gegevens op dit moment
een onvolledig en daarmee onbetrouwbaar beeld geven van de Europese
aanbestedingen die in Nederland hebben plaatsgevonden. Dit wordt
vooral veroorzaakt door de slechte respons op de enquêtevragen die aan
alle aanbestedende diensten worden voorgelegd. Nederland is overigens
één van de weinige lidstaten die deze jaarlijkse rapportageplicht nakomt.
De meeste lidstaten hebben een achterstand van enkele jaren. In de
andere lidstaten worden vergelijkbare methoden als de CDIU-enquête
gehanteerd. Voor alle lidstaten en ook voor de Europese Commissie is
duidelijk dat de rapportages geen volledig en nauwkeurig beeld geven
van de Europese aanbestedingen die in de lidstaten zijn gedaan. Er wordt
daarom ook op Europees niveau gezocht naar betere methoden om de
naleving te meten. Op dit moment is er nog geen beter alternatief voor
handen. Ook de Europese database van Europese aanbestedingen (de
zgn.TED-database) verschaft niet alle benodigde informatie.
Ik onderzoek op welke wijze ik de jaarlijkse informatievraag van de Euro-
pese Commissie over de uitgevoerde Europese aanbestedingen in Neder-
land volledig kan beantwoorden. Daarbij denk ik inmiddels aan
TenderNed, een systeem voor elektronisch aanbesteden. Het voornemen
is om in de toekomst alle aanbestedende diensten in Nederland te
verplichten hun aankondigingen en bekendmakingen betreffende Euro-
pese aanbestedingsprocedures via TenderNed te doen. In de toekomst zou
dan via een analyse van de in TenderNed gepubliceerde gegevens een
vollediger beeld verkregen worden van de uitgevoerde Europese aanbe-
stedingen in Nederland. Door het toepassen van deze methodiek kan het
jaarlijks invullen van enquêteformulieren door de aanbestedende diensten
achterwege blijven.
De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de naleving in andere lidstaten
is alsmede hoe betrouwbaar de methoden en derhalve de nalevingscijfers
van de andere lidstaten zijn.
Vooropgesteld moet worden dat de rapportage aan de Commissie over de
uitgevoerde Europese aanbestedingen in Nederland niet goed vergelijk-
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
8
baar is met een nalevingsmeting zoals die in mijn opdracht is gedaan.
Nog afgezien van de onbetrouwbaarheid van die rapportage kan op basis
van de rapportage over uitgevoerde Europese aanbestedingen en een
grove inschatting van hetgeen aanbesteed had moeten worden, bijvoor-
beeld aan de hand van het BNP-cijfer van een lidstaat, slechts een ruwe
indicatie worden verkregen van de naleving in de lidstaten. Nederland is
op dit moment de enige lidstaat die middels een nalevingsmeting
probeert om een beter en betrouwbaarder beeld van de naleving van de
aanbestedingsregels te krijgen.
De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd waarom en van welke twee
departementen onvoldoende gegevens beschikbaar waren om mee te
doen aan het onderzoek en of er actie wordt ondernomen om de volgende
keer de informatie van deze departementen wel beschikbaar te hebben.
Ten behoeve van de nalevingsmeting 2004 is van diverse bronnen gebruik
gemaakt om de naleving van aanbestedende diensten te meten. Ten
aanzien van de kerndepartementen is door het onderzoeksbureau gebruik
gemaakt van zogenaamde inkoopdiagnoses, die door veel aanbestedende
diensten wordt gebruikt. Een inkoopdiagnose geeft aan hoeveel geld er in
een bepaalde periode aan een bepaalde soort inkoop is besteed. Van de
Ministeries van Algemene Zaken en Defensie waren op het moment van
uitvoering van het onderzoek via PIA (Professioneel inkopen en aanbe-
steden) geen inkoopdiagnoses beschikbaar over het jaar 2004 die
aansloten op de door het onderzoeksbureau gehanteerde onderzoeksme-
thode. Ik zal in overleg treden met beide ontbrekende kerndepartementen
om te bezien of zij voor een volgende meting de informatie wel kunnen
leveren. Gezien het feit dat 11 van de 13 departementen meededen aan de
meting, kon toch een voldoende betrouwbare uitspraak worden gedaan
over de naleving van de kerndepartementen in zijn totaliteit. Ook bij de
andere sectoren zoals gemeenten of provincies zijn niet alle individuele
aanbestedende diensten doorgelicht, dit zou een zeer omvangrijk onder-
zoek vergen en weinig meerwaarde hebben. In deze gevallen werd
volstaan met een steekproef.
De leden van de VVD-fractie en SP-fractie hebben gevraagd of in het
volgende nalevingonderzoek aandacht zal worden besteed aan de nale-
ving bij de grote aanbestedende diensten van het Rijk.
De naleving bij sommige onderdelen van de rijksoverheid (Rijkswater-
staat, de Rijksgebouwendienst en agentschappen) is niet meegenomen in
deze meting aangezien de administratie van deze organisaties plaatsvindt
per afzonderlijk project. Er is voor deze organisaties daarom niet op één
centrale plek te achterhalen welke projecten wel of niet Europees zijn
aanbesteed. Deze organisaties zouden per afzonderlijk project moeten
worden doorgelicht. Het meenemen van deze diensten vergt daarom een
afwijking ten opzichte van de door Significant gekozen methode van
onderzoek, en is tevens zeer bewerkelijk. Gezien het doel om een alge-
meen beeld te vormen van de naleving per sector (kerndepartementen,
gemeenten etc.) is er voor is gekozen om de betreffende diensten niet
mee te nemen. Bij de volgende meting zal worden bepaald of het
meenemen van deze diensten een meerwaarde heeft, gezien de noodzake-
lijke aanpassing van de methode en de vereiste extra inspanningen.
De leden van de VVD-fractie en SP-fractie vroegen of een doelstelling voor
de naleving van Europees aanbesteden per overheidssector (rijk, provin-
cies, gemeenten etc) is uitgewerkt en of deze is gegoten in de VBTB-vorm.
Er is geen gekwantificeerde doelstelling voor verbetering geformuleerd.
Zoals ik in mijn aanbiedingsbrief over de nalevingmeting van 2004 van
21 maart jl. (TK 2005/2006, 29 709, nr. 10) heb aangegeven is het vooral
van belang dat het tempo van verbetering toeneemt. De gemeenten
hebben bijvoorbeeld in de periode 20022004 een verdubbeling van de
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
9
naleving gerealiseerd. Het is van belang om dit tempo vast te houden.
Ook voor de andere sectoren blijft van belang, onafhankelijk van het
niveau van naleving, om door te gaan met het verbeteren van de nale-
ving. Ik streef een zo hoog mogelijke naleving na zonder hieraan een
streefcijfer met een concreet niveau van naleving te willen verbinden.
Betere naleving streef ik na met de in dit wetsvoorstel opgenomen maat-
regelen en met flankerende maatregelen zoals professionalisering van de
aanbestedende diensten en het gebruik van TenderNed.
In dit verband hebben de leden van de SP-fractie en CU-fractie gevraagd
of er reeds monitoring plaatsvindt of de juiste beleidsmaatregelen worden
getroffen om naleving van de Europese aanbestedingsrichtlijnen te stimu-
leren. De leden van de CU-fractie hebben gevraagd hoe de aanbevelingen
uit het nalevingsonderzoeksrapport zijn verwerkt in het wetsvoorstel.
Ik heb een onderzoek laten verrichten over de naleving van de
aanbestedingsregels in het jaar 2002 en over de naleving in het jaar 2004.
In het voorliggende wetsvoorstel heb ik mede naar aanleiding van onder
andere de uitkomsten van de nalevingsmeting 2004 en de daarin gedane
aanbevelingen een pakket aan maatregelen opgenomen die effect zullen
hebben op de naleving.
Daarnaast gaan, zoals in de begeleidende brief van de nalevingmeting
aangekondigd, flankerende acties van start zoals de inspanningen van
PIANOo (Professioneel en Innovatief Aanbesteden, Netwerk voor
Overheidsopdrachtgevers) gericht op kleinere gemeenten en het project
Goed Besteed van VNG dat met steun van EZ en BZK wordt uitgevoerd. Ik
verwacht dat deze maatregelen effect zullen hebben op de naleving. De
mate van naleving zal elke twee jaar worden onderzocht. Daarin worden
effecten van beleidsmaatregelen zichtbaar. De maatregelen die in de afge-
lopen jaren zijn genomen om de naleving te verbeteren, zoals het instellen
van PIA (Professioneel inkopen en aanbesteden) het kenniscentrum
Europa Decentraal hebben reeds bijgedragen tot een belangrijke verbete-
ring van de naleving. Bij de recent uitgevoerde nalevingsmeting is name-
lijk al een duidelijke verbetering te constateren. Ook zal het effect van de
jaarlijkse rechtmatigheidscontroles en de resultaten van PIANOo in de
naleving zichtbaar worden. Drie jaar na inwerkingtreden van het wets-
voorstel zal een eerste evaluatie plaatsvinden. Hierin zullen de effecten
van de genomen beleidsmaatregelen worden onderzocht.
De leden van de SP-fractie vroegen naar aanleiding van de aanbevelingen
in het voornoemde nalevingsonderzoek of met het wetsvoorstel de
begrippen homogeniteit en gelijksoortigheid eenduidig gedefinieerd
worden en op welke wijze dat gebeurt.
Zoals de onderzoekers in het rapport van het nalevingsonderzoek
aangeven wordt in de praktijk regelmatig discussie gevoerd omtrent de
concrete invulling van deze begrippen. Er is naar mijn mening geen meer
concrete definitie dan de huidige op te stellen die in alle gevallen van
toepassing is. Nadere definiëring of afperking van de inkoopbeslissingen
van de aanbestedende dienst zou bovendien zowel de aanbestedende
diensten als de ondernemers onnodig belemmeren. Voorts deel ik niet de
visie van de onderzoekers dat binnen een aanbestedende dienst alle
opdrachten zonder meer bij elkaar opgeteld zouden moeten worden. Hun
visie wordt ook niet ondersteund door jurisprudentie van de Nederlandse
of Europese rechter. Of en wanneer opdrachten gelijksoortig of homogeen
zijn, is niet in abstracto aan te geven. Dit is afhankelijk van de concrete
omstandigheden van het geval, zoals de specifieke markt-
omstandigheden, de behoeften van de aanbestedende dienst en het
beschikbare budget. Voorts heeft het zonder meer optellen van alle
opdrachten binnen een organisatie als nadelig effect dat er zodanig grote
opdrachten ontstaan dat het MKB onnodig buitenspel zal komen te staan.
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
10
De leden van de SP-fractie hebben gevraagd op welke wijze actie wordt
ondernomen op de negen niet nader onderzochte redenen van niet-
naleving die men volgens de onderzoekers wel noemt. Naar mijn mening
zijn deze redenen in de grond dezelfde redenen die aanleiding vormen
voor dit wetsvoorstel en is verder onderzoek op dit moment niet nodig.
In antwoord op de gestelde vraag van de leden van de SP-fractie of naast
het vergroten van kennis en professionaliteit nog meer instrumenten
worden ingezet ten aanzien van diensten die buiten de sector van de
decentrale overheid vallen, meent het kabinet vooralsnog dat met voor-
noemde instrumenten kan worden volstaan. Overigens wordt door
bedrijven met name geklaagd over het aanbestedingsgedrag van centrale
en decentrale overheden.
Toezicht en rechtsbescherming
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of de richtlijn nr.
89/665/EEG tot gevolg heeft dat aanbestedende diensten een standstillpe-
riode in acht moeten nemen en wat de gevolgen hiervan zijn voor de
betrokken overheden en bedrijven.
Inderdaad is het ingevolge de uitspraken van het Hof inzake Alcatel (HvJ
EG, zaak C-81/98, 1999, blz. I-7671) en Commissie/Oostenrijk (HvJ EG,
24 juni 2004, zaak C-212/02, n.n.g.) noodzakelijk voor de volledige imple-
mentatie van de rechtsbeschermingsrichtlijnen1 om de aanbestedende
diensten te verplichten om een standstillperiode in acht te nemen. Dit
houdt in dat er gedurende een termijn van 15 dagen nadat de gunnings-
beslissing bekend gemaakt is aan ondernemers geen overeenkomst tot
stand mag worden gebracht. Er is alleen een uitzondering op deze termijn
voor onvoorziene situaties waarin direct handelen noodzakelijk is, zoals
natuurrampen epidemieën of aanslagen.
Als gevolg van deze jurisprudentie heeft de Europese Commissie een
ingebrekestellingsprocedure gestart tegen alle lidstaten die in hun regel-
geving nog geen standstilltermijn voorschreven, waaronder Nederland.
Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet besloten om een standstillter-
mijn op te nemen in het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsop-
drachten (artikel 55 Bao) en in het Besluit aanbestedingen speciale
sectoren (artikel 57 Bass). Omdat hiermee aan de bezwaren van de
Commissie tegemoet gekomen is, heeft de Commissie de
ingebrekestellingsprocedure tegen Nederland beëindigd. Voor een uitge-
breide weergave van de betrokken jurisprudentie verwijs ik u naar de
toelichting op voornoemde artikelen.
Het gevolg van deze periode is dat ondernemers een betere mogelijkheid
hebben om het aanbestedingsgedrag van de aanbestedende dienst ter
discussie te stellen bij de civiele rechter. Zij kunnen de rechter bijvoor-
beeld vragen om een voorlopige voorziening te treffen waardoor de
aanbestedende dienst ook na verloop van de termijn van 15 dagen nog
geen overeenkomst mag aangaan of uitvoeren. Andere voorzieningen die
1
zij kunnen vragen zijn o.a. het alsnog of opnieuw voeren van een Euro-
Richtlijn nr. 89/665/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 december
pese aanbestedingsprocedure, het overdoen van een bepaalde fase van
1989 houdende de coördinatie van de wette-
een aanbesteding, het toelaten van een onderneming tot de aanbesteding,
lijke en bestuursrechtelijke bepalingen betref-
en het uitsluiten van een onderneming.
fende de toepassing van de beroeps-
Voor de volledigheid merk ik op dat, gelijk de leden van de CDA-fractie
procedures inzake het plaatsen van
overheidsopdrachten voor leveringen en voor
constateerden, de Raad van State inderdaad heeft gesteld dat het arbitrale
de uitvoering van werken, PbEG L 395, en
beding op gespannen voet staat met richtlijn nr. 89/665/EEG. Overeenkom-
richtlijn nr. 92/13/EEG van de Raad van de
stig het advies van de Raad is derhalve in artikel 22 van het wetsvoorstel
Europese Unie van 25 februari 1992 tot coördi-
een voorziening opgenomen om deze spanning weg te nemen.
natie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de toepassing van de
communautaire voorschriften inzake de proce-
De leden van de CDA-fractie hebben aangegeven al eerder in algemene
dures voor het plaatsen van opdrachten door
zin opmerkingen te hebben gemaakt over de aanbestedingspraktijk en
diensten die werkzaam zijn in de sectoren
hebben zich benieuwd getoond wat er sinds het laatstgehouden overleg
water- en energievoorziening, vervoer en
telecommunicatie, PbEG L 76.
met de minister van Economische Zaken is veranderd. Onderstaand ga ik
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
11
nader in op de in het Algemeen Overleg (AO) van 18 november 2004 door
de leden van de CDA-fractie naar voren gebrachte punten.
De leden hebben in het AO verontrusting getoond over de slechte nale-
ving van gemeenten, mogelijk als gevolg van ondoorzichtigheid van het
beleid. Met dit wetsvoorstel worden een aantal zaken verduidelijkt. De
leden hebben in het AO ook voorgesteld dat de minister van EZ coördine-
rend bewindspersoon zou moeten worden in het aanbestedingsdossier.
Dat is inmiddels het geval. Tevens is door de leden van in het AO gewezen
op de klachten van het MKB, dat wegingsfactoren niet helder zijn en dat
afwijzingen niet worden gemotiveerd. Op deze punten zal op basis van
artikel 21 van het wetsvoorstel nadere regelgeving komen. De leden
hebben in het AO ook gewezen op rigide omzeteisen. Op grond van artikel
20 komen daarvoor proportionaliteitsgrenzen. De leden hebben in het AO
de suggestie gedaan een klachtencommissie in te stellen. Zoals in de
Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is uiteengezet, is er voor-
alsnog geen reden om een klachtencommissie voor aanbesteden in te
stellen. Er is immers reeds op drie manieren voorzien in toezicht op de
naleving van de aanbestedingsregels, namelijk door interbestuurlijke
toezicht, toezicht door de onafhankelijke accountantcontrole en toezicht
door de civiele rechter.
Tot slot hebben de leden in het AO gevraagd wanneer er een punt kan
worden gezet achter de aanbestedingperikelen in de bouw. Met mijn brief
van 28 april 2006 (TK 20052006, 29 709, nr. 10) heb ik gestreefd naar
afronding van het dossier.
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar ervaringen tot op dit
moment met de wijze waarop de overheid aanbesteedt, dit naar aanlei-
ding van kritiek uit het bedrijfsleven hierover. Ik constateer nog steeds
kritiek op de wijze waarop de overheid aanbesteedt. Er is dan ook alle
aanleiding tot verbetering van de huidige regelgeving en versterking van
de professionaliteit van opdrachtgevers.
In reactie op de zorgen van de leden van de PvdA-fractie over het toezicht
op de (naleving van de) aanbestedingsregelgeving breng ik onder de
aandacht dat reeds op drie manieren is voorzien in toezicht op de naleving
van de aanbestedingsregels. Ten eerste geldt voor centrale en decentrale
overheden het interbestuurlijke toezichtregime ook bij de naleving van
aanbestedingsregels. Zo vindt het toezicht op de naleving van de
aanbestedingsregels door gemeenten allereerst plaats door de Gemeente-
raad. Ook kan een onjuiste beslissing op het gebied van aanbesteden door
de Kroon worden vernietigd of geschorst (repressief toezicht). Voorts
vervult de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een
coördinerende rol bij de behandeling van infractieprocedures over
opdrachten of aanbestedingen van gemeenten en provincies. Ten tweede
is er de (voor decentrale overheden recent) verplichte onafhankelijke
accountantscontrole op de rechtmatigheid van de uitgaven. Deze twee
vorige vormen van toezicht stellen het bestuursorgaan bij uitstek in staat
het eigen uitvoeringapparaat op dit punt te controleren en zonodig te
corrigeren. Het is immers primair de verantwoordelijkheid van de aanbe-
stedende diensten zelf om de naleving van de aanbestedingsregels intern
te waarborgen. Ten derde is er toezicht op de naleving van de
aanbestedingsregels door de civiele rechter. Indien de rechter constateert
dat een aanbestedende dienst de aanbestedingsregels niet of verkeerd
heeft toegepast, kan hij dit gedrag op verschillende manieren corrigeren.
Zo kan hij de aanbestedende dienst verplichten om alsnog of opnieuw een
aanbestedingsprocedure te starten of om een overeenkomst die niet of
verkeerd is aanbesteed niet uit te voeren. Ook kan de rechter de aanbe-
stedende dienst verplichten tot het betalen van een schadevergoeding.
Het effect van een dergelijke maatregel zal voor een aanbestedende dienst
steeds aanzienlijk zijn en aldus vormt dit toezicht een goede aansporing
om de aanbestedingsregels na te leven.
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
12
Ten aanzien van het toezicht door een onafhankelijk accountant plaatsten
de leden van de CDA-fractie nog de kanttekening dat de accountants-
controle uitsluitend verplicht is voor overheden (rijk, provincie, water-
schap en gemeente) en daaraan verbonden diensten of organisaties. Dit
doet er echter niet aan af dat met deze onafhankelijke accountantscontrole
het interne toezicht op het overgrote deel van de aanbestedende diensten
is geregeld. Voorts betreft dit de groep waarover door ondernemers met
name wordt geklaagd. Tenslotte moet worden bedacht dat de door de
leden van de CDA-fractie geduide groep allen rechtspersonen zijn en dat
voor rechtspersonen ook interne toezichtregels zijn vastgesteld (bijvoor-
beeld toezicht op het bestuur en toezicht via de jaarrekening). Bij de
evaluatie zal worden bezien of er nadere maatregelen getroffen moeten
worden voor deze groep.
In reactie op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of er een onafhan-
kelijke «markmeester» komt en de vraag van de leden van de VVD-fractie,
de SP-fractie en de CU-fractie op welke wijze de afweging is gemaakt tot
het wel of niet instellen van een toezichtautoriteit het volgende. Op dit
moment zie ik onvoldoende noodzaak voor een aparte «marktmeester».
Zoals ik hierboven heb aangegeven is reeds voorzien in interbestuurlijk
toezicht, in toezicht door de onafhankelijke accountant en in rechterlijk
toezicht op de naleving van de aanbestedingsregels. Voorts verwacht ik
dat met de reeds getroffen en nog te nemen maatregelen van flankerend
beleid (zie de in de toelichting op het wetsvoorstel beschreven initiatieven
om kennis en professionaliteit op het gebied van aanbesteden te stimu-
leren en de antwoorden op de vragen over flankerend beleid in de laatste
paragraaf) een aanzienlijke verbetering zal worden bereikt.
Ik wil eerst de maatregelen en dit wetsvoorstel een kans geven alvorens
een toezichtautoriteit te overwegen. Op het gebied van het aanbesteden
gaat het er primair om door een cultuuromslag het goed aanbesteden
«tussen de oren te krijgen» bij aanbestedende diensten en bedrijven. Een
toezichthouder die boetes oplegt zie ik daarvoor niet als de goede insteek.
Dat kan het beste bereikt worden door het stimuleren van de professiona-
lisering van aanbestedende diensten en bedrijven. PIANOo gaat met
onder andere TenderNed aanbestedende diensten daarin ondersteunen.
Ook het initiatief van de Regieraad Bouw om met alle betrokkenen partijen
de professionaliteit van het aanbesteden in de bouw te bevorderen zal een
waardevolle bijdrage kunnen leveren. De koepelorganisaties van het
bedrijfsleven hebben mij laten weten van hun kant ook te streven naar
een kenniscentrum aanbesteden voor het bedrijfsleven. Het spreek vanzelf
dat PIANOo daarmee zal samenwerken. Ook is van belang om te analy-
seren waar het niet goed gaat met het aanbesteden, opdat gericht de
nodige verbeteringsacties ondernomen kunnen worden. Het voornemen
van VNO-NCW en MKB-Nederland plus EZ/PIANOo om een commissie in
te stellen die inventariseert en analyseert waar het niet goed gaat met het
aanbesteden bij aanbestedende diensten en bij het bedrijfsleven kan
daarin een nuttige rol vervullen.
Het antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie en de leden
van de SP-fractie welke informatie uit de over drie jaar voorziene evaluatie
van doorslaggevende invloed zou kunnen zijn op een heroverweging om
alsnog een toezichthouder op te richten is dat de mate van naleving en
bovenal de oorzaken van niet-naleven van groot belang zullen zijn bij de
te overwegen beleidsalternatieven. De eerste evaluatie zal plaatsvinden
drie jaar na het inwerkingtreden van het wetsvoorstel en de daarbij beho-
rende uitvoeringsregelgeving. In die evaluatie zullen ook de oorzaken van
niet-voldoende naleving worden onderzocht. Als bij die evaluatie blijkt dat
de naleving niet substantieel is verbeterd, dan zullen de oorzaken van het
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
13
uitblijven van die verbetering in kaart worden gebracht. Afhankelijk van
die oorzaken zullen vervolgens passende maatregelen worden voorge-
steld.
Leden van voornoemde fracties hebben gevraagd wanneer periodiek
onderzoek naar de naleving van de aanbestedingsregels zal plaatsvinden,
of de resultaten aan de kamer zullen worden aangeboden en of uitkom-
sten van deze periodieke onderzoeken aanleiding kunnen zijn om een
toezichthouder te heroverwegen.
Ik ben van plan voorlopig elke twee jaar een nalevingsonderzoek te laten
uitvoeren om de ontwikkelingen goed te kunnen monitoren. De nalevings-
onderzoeken van de aanbestedingen over de jaren 2002 en 2004 zullen
dus worden gevolgd door een onderzoek over het jaar 2006 etc. De resul-
taten zullen in de loop van het volgende jaar beschikbaar komen en zullen
u worden aangeboden. Zoals gezegd zal bij de evaluatie van de wet de
wenselijkheid van een toezichthouder aan de orde komen.
Innovatie
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd hoe is verzekerd dat onder-
havig wetsvoorstel de rol van de overheid als «launching customer» voor
innovatieve ontwikkeling en producten van de Nederlandse industrie
waarborgt.
Het wetsvoorstel opent uitdrukkelijk de mogelijkheid om ook regels te
stellen ter bevordering van de innovatie. Daaraan bestaat behoefte, omdat
de Europese regels als zodanig in het algemeen geen belemmeringen
vormen voor de innovatie of innovatiebevorderend beleid, maar daarop
ook niet specifiek zijn toegesneden. In dit verband wijs ik op de sleutel-
publicatie «Beter aanbesteden in de bouw» van de Regieraad Bouw. Zo
kan het voor innovatieve ontwikkelingen van belang zijn dat aanbeste-
dingen in bepaalde gevallen niet op basis van de laagste prijs, maar op
basis van de economisch meest voordelige aanbieding geschieden. Ook
het op ruimere schaal toelaten van varianten en het werken met geïnte-
greerde contracten kan de innovatie ten goede komen. Het wetsvoorstel
biedt de mogelijkheid om uiteraard binnen de grenzen van de Europese
regelgeving hiervoor nadere regels te ontwikkelen.
De Regieraad voor de Bouw heeft de aandacht op deze aspecten geves-
tigd, en te verwachten valt dat de hierboven genoemde commissie die
door de Regieraad samen met partijen uit de sector is ingesteld, nader
aandacht aan deze problematiek zal besteden. Dit is van belang, omdat
innovatie niet alleen door regelgeving, maar vooral door een professio-
nele, op innovatie gerichte handelwijze van opdrachtgevers en opdracht-
nemers tot stand moet worden gebracht. Een professioneler inkoop- en
aanbestedingsgedrag van aanbestedende diensten is in dit verband dus
van groot belang. Door het stellen van uitdagende eisen aan leveranciers
kan de overheid als aanbesteder mede een bijdrage leveren aan innovatie
in de marktsector. Een verdergaande integratie van het huidige innovatie-
beleid en de rol van de overheid als innovatiebevorderende inkoper en
aanbesteder ligt dan ook voor de hand. Hiervoor moet de overheid een
meer bewuste afweging maken in haar inkoop- en aanbestedingsbeleid bij
het inzetten daarvan voor innovatie.
Over «lanching customer» heb ik u in mijn brief van 14 juni jl. nader geïn-
formeerd.
De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd of de regering kan ingaan
op hun zorgen over de kansen bij aanbestedingen van met name innova-
tieve bedrijven omdat eisen bij aanbestedingen vaak onnodig hoog zijn.
Inderdaad laat de proportionaliteit van de gestelde eisen soms te wensen
over. Daarom zal op basis van artikel 20 van het wetsvoorstel nadere
voorwaarden worden gesteld aan eisen die opdrachtgevers mogen
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
14
stellen. Daarbij zal ook rekening gehouden worden met de positie van
innovatieve bedrijven.
De leden van de CU-fractie hebben mij gevraagd hoe ik denk over het
bevorderen van aanbieden van varianten, gezien de bijdrage hiervan aan
het ontwikkelen van innovatieve alternatieven? Zoals hierboven al aange-
geven vormt het toestaan van het aanbieden van varianten een belang-
rijke stimulans voor innovatie. Ik ben daarom voornemens om op basis
van art 21 te bepalen dat het aanbieden van varianten in principe is toege-
staan tenzij dit expliciet door de aanbestedende dienst wordt verboden.
Integriteit
Ik heb de wens tot het weren van niet-integere ondernemingen ingevuld
door het opleggen van een integriteitstoets. Ik begrijp de zorg van de
leden van de CDA-fractie en de PvdA-fractie dat het toetsen van de integri-
teit van onderneming niet zal leiden tot onnodige administratieve lasten-
verzwaring. Uiteraard zullen onnodige lasten worden voorkomen. De
precieze lastenberekening is op dit moment nog niet te maken, deze zal bij
opstellen van de nadere regelgeving worden gemaakt. Overigens ben ik
van mening dat het in onderhavig wetsvoorstel voorgestelde integriteits-
beleid tot minder lasten zal leiden dan het huidige decentraal uitgevoerde
integriteitsbeleid. De huidige situatie veroorzaakt immers aanzienlijke
lasten voor het bedrijfsleven. Toetsing van de integriteit wordt met dit
wetsvoorstel uniform geregeld terwijl aanbestedende diensten dat nu op
een onderling verschillende wijze doen. Voorts zal bij alle aanbestedende
diensten kunnen worden volstaan met eenzelfde bewijs van integriteit
terwijl nu diverse bewijsmiddelen worden gevraagd. Ook gaan de lasten
van het aanvragen van dat bewijs omlaag doordat zij slechts eenmaal per
jaar een verklaring hoeven aan te vragen voor alle aanbestedingen in dat
jaar. Er wordt thans met Justitie gewerkt aan een verdere vereenvoudi-
ging van het systeem zoals verdergaande digitalisering. Tenslotte is er,
behoudens uitzondering voor uitzonderlijke situaties, geen discretionaire
bevoegdheid meer voor aanbestedende diensten. Een bedrijf dat geen
integriteitsverklaring aanbesteden kan overleggen moet worden uitge-
sloten, en een bedrijf moet worden toegelaten indien het de integriteits-
verklaring kan overleggen. Dit geeft duidelijkheid en rechtsgelijkheid.
Door de opzet van het eenvoudige systeem wordt gestreefd naar vermij-
ding van onnodige lasten.
De leden van de SP-fractie en de CU-fractie hebben gevraagd in hoeverre
de verplichte integriteitverklaring aanbesteden drempelverhogend werkt
voor het MKB. Aan het MKB worden dezelfde eisen van integriteit gesteld
als het overige bedrijfsleven. De eisen zijn voor het MKB niet extra belas-
tend. Zoals eerder uiteengezet is zal het voorgestelde integriteitsbeleid tot
minder lasten leiden.
In antwoord op de vraag van de leden van de CU-fractie over mogelijk
concurrentienadeel voor Nederlandse bedrijven bij invoering van de
verplichte integriteitsverklaring merk ik op dat er geen sprake is van een
concurrentienadeel. Ook van een buitenlandse onderneming wordt
immers een vergelijkbare verklaring verlangd. De meeste lidstaten kennen
een soortgelijke verklaring als de Nederlandse. Ondernemers uit die
landen kunnen deze dus in eigen land aanvragen. Voor alle lidstaten geldt
dat zij een integriteitsverklaring uit een andere lidstaat moeten accep-
teren. Voordeel van deze wederzijdse erkenning is dat maar éénmaal een
toetsing plaats hoeft te vinden, namelijk in het land van vestiging van het
bedrijf. Nederlandse bedrijven hebben hier ook baat bij, want zij kunnen
voor opdrachten in een ander lidstaat hun Nederlandse verklaring
gebruiken. Alleen wanneer in het land waarin de buitenlandse onder-
nemer is gevestigd niet een met de integriteitsverklaring vergelijkbare
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
15
verklaring wordt afgegeven is een andere nader in de wet beschreven
verklaring vereist.
De vraag van de leden van de CDA-fractie of het kabinet de mening deelt
dat integriteit een vraag is waarmee zowel het bedrijfsleven als de
aanbestedende overheden worden geconfronteerd, kan met een
volmondig «ja» worden beantwoord.
De aanpak van corruptie is immers een van de speerpunten van het beleid
van het kabinet en is als zodanig ook nadrukkelijk in het hoofdlijnen-
akkoord opgenomen. Gelet hierop heeft het kabinet reeds in april 2003
een aantal actiepunten geformuleerd in de nota Integriteitsbeleid Open-
baar Bestuur en Politie (TK 28 8444, nr. 2). In deze nota is onder meer een
actie geformuleerd in antwoord op de motie van de leden Slob en van der
Vlies (TK 28 244, nr. 36). Voorts heeft het kabinet eind 2005 de nota
Corruptiepreventie aan de leden van de Tweede Kamer gestuurd. Hoofd-
lijn van deze nota is dat de bestrijding van ambtelijke corruptie niet alleen
een adequate (strafrechtelijke) handhaving vergt maar met name effect
krijgt door het voeren van een scherp integriteitsbeleid dat onder verant-
woordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-
relaties wordt gevoerd.
Ook de vraag van de leden van de CDA-fractie of een separate gedrags-
code voor overheden en diensten van overheden noodzakelijk wordt
geacht, kan ik bevestigend beantwoorden. Ik wijs u in dit verband op de
Wet van 22 december 2005, houdende wijziging van de Ambtenarenwet
en enkele andere wetten in verband met goed ambtelijk handelen, goed
werkgeverschap en algemene regels over integriteit (Stb. 2005, 695).
Ingevolge (artikel 125quater, aanhef en onderdeel c, van) deze wet moeten
alle overheden zorgen voor de totstandkoming van een gedragscode voor
goed ambtelijk handelen. Onder verantwoordelijkheid van de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is door het Bureau integriteits-
bevordering openbare sector (BIOS) een modelgedragscode ontwikkeld
(zie de internetsite www.integriteitoverheid.nl).
Door de leden van de CU-fractie is gevraagd of de regering inzicht heeft in
de effectiviteit van de in de motie Slob (TK 28 244, 36) gevraagde «eendui-
dige omschrijving van disciplinaire maatregelen bij integriteits-
schendingen».
Vaststaat dat de rechtspositieregelingen van ambtenaren (op decentraal
en op rijksniveau) voldoende handvatten bieden voor een tuchtrechtelijke
aanpak van integriteitsschendingen door ambtenaren. Ook bevat deze
regelgeving diverse disciplinaire maatregelen die genomen kunnen
worden bij integriteitsschendingen of ander ongewenst gedrag. Deze is in
de praktijk voldoende gebleken om integriteitsschendingen en onge-
wenste gedragingen adequaat aan te pakken en te bestraffen. Het mag
duidelijk zijn dat in gevallen van evidente fraude of corruptie de zwaarste
tuchtrechtelijke straf van onvoorwaardelijk strafontslag geëigend is. Toch
dient er te allen tijde een afweging te worden gemaakt welke straf in een
bepaald geval mogelijk is. Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder
andere de ernst van het feit, of het een eventuele eenmalige misstap
betreft, de functie van betrokkene, het algemeen optreden van het mana-
gement ten aanzien van gedrag binnen de organisatie e.d.
Proportionaliteit
In het verleden zijn soms in de ogen van de leden van de CDA-fractie
onredelijke eisen gesteld aan het bedrijfsleven en de vraag is op welke
wijze het algemene aanbestedingskader hierin kan voorzien. Uit de Euro-
pese regelgeving volgt dat opdrachtgevers proportionaliteit in acht
moeten nemen bij de eisen die zij stellen aan bedrijven. In de praktijk blijkt
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
16
over de invulling van dat begrip soms onduidelijkheid te bestaan. Om de
gewenste duidelijkheid te verschaffen zal op basis van art.20 van het
wetsvoorstel in uitvoeringsregelgeving verduidelijkt worden wat onder
proportioneel dient te worden verstaan. Dit zal gebeuren door het
aangeven van grenzen aan eisen, voorwaarden en criteria die opdrachtge-
vers aan bedrijven mogen stellen. Ik merk op dat het stellen van eisen in
concrete opdrachten altijd maatwerk dient te zijn, daar moet ook ruimte
voor blijven. Juist vanwege de noodzaak tot maatwerk moet vermeden
worden dat te lichtvaardig algemene eisen gesteld worden en moet er
naar gestreefd worden dat eisen in de juiste verhouding staan tot de
specifieke opdracht. Ik heb de indruk dat daar in de meeste gevallen
verstandig mee wordt omgegaan, maar de uitzonderingen zorgen juist
voor de problemen. Om in die gevallen ook tot een juiste toepassing van
het begrip proportionaliteit te komen is een dwingend normenkader nood-
zakelijk.
De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd op welke termijn een
normenkader zal worden ontwikkeld voor een aantal selectiecriteria, hoe
dit wordt vormgegeven en wie hierbij een voortrekkersrol vervuld.
Aan de ontwikkeling van het normenkader wordt op dit moment gewerkt.
Het is mijn bedoeling het normenkader gelijk met de wet in werking te
laten treden. Het initiatief voor de ontwikkeling van het kader ligt bij mij. Ik
zal de stakeholders, opdrachtgevers ofwel aanbestedende diensten en
opdrachtnemers ofwel bedrijfsleven, in verregaande mate betrekken bij
het ontwikkelen van het kader.
De leden van de CDA-fractie hebben gewezen op de motie die door het lid
Ten Hoopen bij de begrotingsbehandeling is ingediend. In deze motie
wordt gepleit voor verbetering van de toegankelijkheid van aanbestedings-
opdrachten voor het MKB. De leden hebben gevraagd op welke wijze de
intentie van de motie wordt meegenomen in de uitwerking van de
aanbestedingswet en op welke wijze aan de betreffende motie binnen het
overheidsbeleid vorm en inhoud wordt gegeven. De leden van de
SP-fractie hebben zich afgevraagd in hoeverre de ministeriële regeling
conform artikel 20, waarbij grenzen kunnen worden gesteld aan eisen
inzake draagkracht en bekwaamheden van een ondernemer, kan en zal
bijdragen aan de kansen van MKB-bedrijven bij aanbestedingen?
Vanwege door opdrachtgevers in acht te nemen proportionaliteit, zullen er
op basis van art. 20 van het wetsvoorstel in onderliggende regelgeving
grenzen worden gesteld aan de eisen, voorwaarden en criteria die
opdrachtgevers aan bedrijven mogen stellen. De toegankelijk voor
overheidsopdrachten voor het bedrijfsleven wordt hierdoor vergroot, in
het bijzonder voor die bedrijven die bij het hanteren van disproportionele
eisen vanwege een gebrek aan omvang en ervaring, anders zouden
worden buitengesloten. Juist het MKB zal hiervan profiteren. Het voorbe-
houden van een bepaald deel van opdrachten aan het MKB zoals in de
motie Ten Hoopen wordt voorgesteld is echter strijdig met het principe
van non-discriminatie en past dus niet in de aanbestedingsregelgeving.
Over deze motie zal ik u een deze dagen een brief zenden.
Administratieve lasten
De leden van de van de VVD-fractie en de SP-fractie hebben gevraagd of
het Adviescollege administratieve lasten (Actal) betrokken zal worden bij
c.q. om advies zal worden gevraagd over de nadere regelgeving die in het
wetsvoorstel wordt aangekondigd. Ook hebben zij gevraagd of op dat
moment ook ingegaan zal worden op de alternatieven en suggesties die in
de brief van Actal aan mij (dd. 5-9-2005) worden aangegeven inzake de
administratieve lasten. Ook de leden van de CDA-fractie hebben verzocht
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
17
om verduidelijking wat er met de 21 aanbevelingen is gedaan waar Actal
op heeft gewezen.
In het kader van het onderzoek naar lasten van het naleving van de
aanbestedingsregels heb ik het bureau Sira ook om aanbevelingen
gevraagd voor lastenvermindering. Actal heeft daarop gewezen. De
aanbevelingen van Sira worden verwerkt in de onderliggende regelge-
ving. In mijn toelichting daarop zal ik t.z.t. nader op de aanbevelingen
ingaan. Over de voorgenomen nadere regelgeving zal Actal advies
gevraagd worden.
Flankerend beleid
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar de stand van zaken
met betrekking tot TenderNed. De leden van de CU-fractie hebben aange-
geven het verplicht gebruik van TenderNed een verstandig keus te achten
en hebben een aantal vragen over TenderNed gesteld.
Allereerst wil ik opmerken dat de door mij voorgenomen verplichting
beperkt wordt tot het gebruik van een onderdeel van TenderNed; de
aankondigingsmodule. In antwoord op de vraag van de leden van
CU-fractie wanneer TenderNed volledig functioneel en uitgetest zal zijn en
over gelijktijdige invoer van de verplichting het volgende. Het systeem
www.aanbestedingskalender.nl wordt sinds april 2004 vrijwillig gebruikt
door een toenemend aantal opdrachtgevers voor het aankondigen van
opdrachten en het vragen om offertes. Ook voor opdrachten beneden de
aanbestedingsdrempel. Tot nu toe zijn ruim 5000 aankondigingen
geplaatst, en er komen er maandelijks meer dan 400 bij. Het systeem
vermindert de zoekkosten naar geschikte opdrachten voor het bedrijfs-
leven aanzienlijk, mede vanwege het zogenaamd attenderingssysteem
waarmee bedrijven worden gewaarschuwd als er zich een geschikte
opdracht voordoet. Het systeem www.aanbestedingskalender.nl zal geïn-
tegreerd worden in TenderNed als aankondigingsmodule. Ook na volle-
dige integratie zal de aankondigingsmodule onafhankelijk van de bredere
toepassing van TenderNed gebruikt kunnen worden.
Op het moment van inwerkingtreden van de nieuwe aanbestedings-
regelgeving zal dus al geruime tijd ervaring zijn opgedaan met de vanaf
dat moment verplicht te gebruiken aankondigingsmodule. Mits alles
volgens plan verloopt is er geen reden meer voor eerder voorziene gelei-
delijke invoer van de verplichting, maar kan besloten worden tot een
gelijktijdige invoer van alle sectoren en alle typen opdrachten.
Het complete systeem TenderNed zal veel meer omvatten dan alleen het
elektronisch aankondigen van opdrachten. Het streven is dat met
TenderNed een aanbestedingsprocedure volledig elektronisch kan worden
afgehandeld. Alle communicatie tussen opdrachtgevers en opdracht-
nemers kan elektronisch verlopen, bedrijven kunnen elektronisch hun
offerte uitbrengen, er kan elektronisch geveild worden en contracten
kunnen elektronisch worden afgesloten.
TenderNed kan ook allerlei gegevens bewaren. Bedrijven kunnen er infor-
matie over zichzelf in opslaan die zij normaal bij elke aanbesteding
moeten indienen, zoals administratieve en financiële gegevens, referen-
ties, zorgsystemen etc. Vervolgens kan bij elke aanbesteding geput
worden uit deze opgeslagen gegevens, waardoor TenderNed ook voor
bedrijven lastenverlichtend werkt. Ook kan de voortgang van lopende
aanbestedingsprocedures in TenderNed worden vastgelegd. Bij elektro-
nisch aanbesteden mogen volgens de Europese regelgeving procedures
verkort worden.
Door het elektronisch aanbesteden zullen administratieve en andere
uitvoeringslasten sterk afnemen, zowel voor het bedrijfsleven als voor
aanbestedende diensten.
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
18
Zoals door de leden van de CDA-fractie naar voren werd gebracht kan de
database uit TenderNed door aanbestedende diensten gebruikt worden
om mogelijke toeleveranciers te selecteren en uit te nodigen. Hierbij zal
het in de praktijk gaan om kleinere opdrachten welke niet openbaar
behoeven te worden aanbesteed. Daarbij kan aangenomen worden dat,
gelet op de omvang van de opdracht, het zeker ook om MKB-bedrijven zal
gaan.
Het elektronisch aanbesteden, de bredere toepassing van TenderNed dus,
wordt niet verplicht, maar zal wel worden gestimuleerd. Het is mijn
bedoeling van TenderNed een nationale elektronische marktplaats voor
overheidsopdrachten te maken. Daarom is ook besloten het eigendom
van TenderNed bij de Staat te leggen. Om alle voornoemde toepassingen
goed te laten functioneren zijn nog een aantal verbeteringen in het
systeem nodig. Ik zal daarvoor de nodige investeringen laten doen.
TenderNed wordt sinds eind 2005 gebruikt door ProRail voor bijna al zijn
bouwopdrachten. Na enkele aanloopproblemen zijn de ervaringen met het
volledig elektronisch aanbesteden nu goed, ProRail is enthousiast en ook
opdrachtnemende bedrijven zijn positief. In tegenstelling tot hetgeen de
leden van de CDA-fractie stellen verkeert TenderNed niet in een testfase,
maar meer in een opbouwfase omdat TenderNed tot voor kort alleen door
eigenaar ProRail werd gebruikt. Sinds kort voert ook Rijkswaterstaat elek-
tronische aanbestedingen uit via het systeem. Andere aanbestedende
diensten worden in de loop van dit jaar in de gelegenheid gesteld om
elektronisch te gaan aanbesteden via TenderNed. TenderNed is beschik-
baar voor het elektronisch aanbesteden van werken, leveringen en dien-
sten.
In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie op welke wijze
het wetsvoorstel bekend gemaakt zal worden aan de betrokken sectoren
en op welke wijze het wetsvoorstel ook bij alle overheden bekend zal
worden gemaakt het volgende.
Over het wetsvoorstel is breed overleg gevoerd met werkgeversorganisa-
ties. Brancheorganisaties hebben langs deze weg kennis kunnen nemen
van het wetsvoorstel en hebben hun leden daarover kunnen informeren.
Ook met de departementen en koepelorganisatie van andere overheden is
regelmatig overlegd. Zij hebben vervolgens hun eigen aanbestedende
diensten kunnen informeren. Over de onderliggende regelgeving wordt
op dit moment met voornoemde partijen op identieke wijze overlegd. Ook
worden er regelmatig congressen en andere bijeenkomsten gehouden
over de nieuwe aanbestedingswet, EZ heeft daaraan in veel gevallen
medewerking verleend. Voorts wordt via de EZ-aanbestedingssite infor-
matie gegeven. PIANOo heeft tot hoofdtaak het professionaliseren van
aanbestedende diensten, daaronder valt ook het informeren over de juiste
toepassing van aanbestedingsregelgeving. Ook het systeem TenderNed
zal dat doen.
In reactie op de gestelde vraag van de leden van de PvdA-fractie over de
aanwezigheid van voldoende specialistische kennis onderken ik dat
aanbesteden inderdaad specialistische kennis vergt. Het is niet zozeer
deze nieuwe wet die dat veroorzaakt, maar meer de bestaande Europese
richtlijnen. Door het wetsvoorstel worden juist zaken als de toetsing van
integriteit van bedrijven, de proportionaliteit van aan bedrijven te stellen
eisen en de te hanteren procedures voor plaatsing van opdrachten
beneden de aanbestedingsdrempels vereenvoudigd.
Gebleken is dat de deskundigheid over aanbestedingsregels niet altijd in
voldoende mate aanwezig is. Daarom ontwikkelt het Professioneel en
Innovatief Aanbesteden, Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers
(PIANOo) instrumenten om de deskundigheid van opdrachtgevers te
verhogen. Het verstrekken van informatie over de juiste toepassing van de
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
19
aanbestedingsregels maakt daar deel van uit. PIANOo zal dat ook gaan
doen voor de nieuwe wetgeving. PIANOo draagt daarbij zorg voor het
uitwisselen van ervaringen van aanbestedende diensten zodat ook
geleerd kan worden van andermans fouten en successen en best practices
ontwikkeld kunnen worden.
Ik deel ook de visie van de leden van de CU-fractie dat onvoldoende
professioneel opereren van aanbestedende diensten goed aanbesteden in
meerdere opzichten bemoeilijkt. Daarbij kan ondermeer gedacht worden
aan de genoemde voorbeelden van het plaatsen van complexe
opdrachten, MVO en integer handelen.
De leden van CU-fractie hebben zich afgevraagd waarom PIA, PIANOo en
Europa Decentraal naast elkaar bestaan. Allereerst merk ik op dat PIA een
tijdelijke projectorganisatie is geweest die zich heeft gefocust op de kwali-
teit van inkopen en aanbesteden bij de rijksoverheid en de interdeparte-
mentale samenwerking daarbij. Dit heeft geleid tot acties als het
ontwerpen van standaarden voor het uitvoeren van inkoopdiagnosen,
inkooptools en een groot aantal gezamenlijke aanbestedingen. Een groot
deel van de inkoopbehoeften van het Rijk zijn onder één inkoopregie
gebracht. Door het realiseren van schaalvoordelen door het bundelen van
inkopen van de verschillende departementen zijn aanzienlijke besparingen
bereikt bij de inkopen van het Rijk. PIA is 1 jan. jl. opgeheven omdat het
zijn aanjaagfunctie heeft vervuld en de departementen elkaar gevonden
hebben bij het gezamenlijk inkopen van goederen en diensten. Maar de
ontwikkelingen zijn nog lang niet afgerond, het duurzaam en innovatie-
bevorderend inkopen zijn nog maar net in gang gezet. Daarom heeft het
kabinet besloten voor het inkopen van het Rijk een nieuwe functie te
creëren van chief procurement officer in lijn met de aanbeveling van het
Innovatieplatform.
PIANOo heeft een andere doelstelling. PIANOo richt niet op het behalen
van inkoopvoordeel door het bundelen van opdrachten, maar wil door
onder andere het ontwikkelen van instrumenten de professionaliteit van
de opdrachtgevers verhogen van alle aanbestedende diensten. Bij instru-
menten moet gedacht worden aan TenderNed, PIANOo-desk, praktische
voorlichting over de nieuwe wetgeving en het tonen van best-practices.
Deze initiatieven stellen aanbestedende diensten in staat om het inkoop-
proces te optimaliseren, zodat het beste uit de markt gehaald wordt. Een
neveneffect is dat daarmee ook de aanbestedingsregels beter nageleefd
worden.
Europa Decentraal richt zich alleen op decentrale overheden en geeft
informatie en advies over alle voor gemeenten, provincies en water-
schappen relevante Europese regelgeving (dus breder dan aanbesteden).
PIANOo en Europa Decentraal overlappen dus alleen voor wat betreft hun
aandacht voor de Europese aanbestedingsregelgeving en voor zover het
voorlichting aan decentrale overheden betreft. Vanwege deze overlap zijn
beide organisaties gezamenlijk gehuisvest en wordt er in de praktijk
concreet samengewerkt. In de toekomst zal naar nog nauwere samenwer-
king op dit deelgebied worden gezocht. De leden van de CU-fractie
hebben gevraagd naar behaalde resultaten van PIANOo en Europa Decen-
traal. PIANOo is actief sinds september 2005. Reeds behaalde resultaten
van PIANOo zijn het organiseren van het eerste PIANOo-congres voor
publieke opdrachtgevers, het door PIANOo beleggen van vakgroepen
voor ondermeer de juridische aspecten van ICT-aanbestedingen en
e-veilen en het publiceren van een aantal factsheets over ondermeer de
innovatiegerichte kant van het aanbesteden en prijsvragen. Verder heeft
PIANOo in samenwerking met Europa decentraal, Nederlandse Vereniging
voor Inkoopmanagement (NEVI) en de VNG voorlichtingsbijeenkomsten
gehouden voor centrale en decentrale overheden over het 1 december
jongstleden in werking getreden Besluit aanbestedingregels overheidsop-
drachten (Bao). Ten slotte heeft PIANOo verder gewerkt aan een praktisch
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
20
forum voor informatie-uitwisseling tussen aanbesteders: PIANOo-desk en
aan het eerdergenoemde TenderNedsysteem voor elektronisch aankon-
digen en aanbesteden.
Europa decentraal heeft de afgelopen jaren vele decentrale overheden
terzijde gestaan bij aanbestedingsvraagstukken, door het beantwoorden
van vragen of door het geven van voorlichting. Het aantal vragen over
Europees aanbesteden is de afgelopen jaren explosief gestegen. In 2004
zijn 328 vragen afgehandeld over Europees aanbesteden, in 2005 waren
dit er 579. In de eerst vijf maanden van 2006 ligt het aantal afgehandelde
adviesvragen al op 750. Europa decentraal heeft in 2004 25 nieuwsbe-
richten gepubliceerd over Europees aanbesteden, in 2005 waren dit er 39.
De wekelijkse digitale nieuwsbrief «De Europese Ster» biedt niet alleen
nieuws over aanbesteden, maar over alle voor decentrale overheden
relevante Europese onderwerpen. Het aantal abonnees van de nieuws-
brief is de afgelopen jaren gestegen van 2800 in 2005 tot ongeveer 3800 in
juni 2006. Het aantal lezers ligt nog veel hoger. Ook zijn drie factsheets
verschenen (over sociale werkplaatsen, CPV codes en raamcontracten).
Verder biedt Europa decentraal gemeenten, provincies en waterschappen
een overzicht van relevante cursussen, congressen en opleidingen en
werkt Europa decentraal ook mee aan bijeenkomsten. Voorts werkt
Europa decentraal nauw samen met de koepelorganisaties VNG, IPO, Unie
van Waterschappen, het ministerie van BZK en andere ministeries bij het
opstellen van handreikingen (bijvoorbeeld de Handreiking voor een
collegebesluit inzake inkoop en aanbesteding) ter bevordering van een
Europaproof binnenlands bestuur.
Beide centra PIANOo en Europa decentraal hebben in de ogen van het
kabinet tot dusverre hun meerwaarde bewezen. Zodra evaluaties beschik-
baar zijn zult u daarover worden geïnformeerd.
In reactie op de vraag van de leden van de CU-fractie kan ik bevestigen
dat de aandacht van beide organisaties in het bijzonder uitgaat naar
sectoren waar de grootste kennisachterstand aanwezig is. VNG onderkent
dat er bij gemeenten meer aandacht moet komen voor aanbesteden en
heeft daarom met mijn steun en van die van mijn collega van BZK het
project «Goed besteed!» gestart, gericht op bestuurlijke bewustwording
bij gemeenten van het belang van goed inkopen en aanbesteden.
In antwoord op de gestelde vraag hierover van de leden van de
VVD-fractie en de opmerking hierover van de zijde van de leden van de
CU-fractie onderken ik het belang dat ook MKB-bedrijven in de gelegen-
heid worden gesteld om met aanbestedingen mee te doen. Onnodige
clustering van opdrachten is niet goed, omdat hiermee een deel van de
markt wordt uitgeschakeld. Maar soms is clustering van opdrachten
gewenst als daardoor schaalvoordelen behaald kunnen worden. Het
PIA-project is daarvoor immers speciaal in het leven geroepen. In tegen-
stelling tot de leden van de VVD-fractie suggereren, zie ik geen taak voor
mij weggelegd om te regelen dat opdrachten in principe in kleine logische
delen worden aanbesteed. Ik laat dit liever over aan het de professionali-
teit van aanbesteders. Een goede aanbestedende dienst kijkt ook goed
naar de markteffecten van de voorgenomen wijze van aanbesteden.
PIANOo zal hierbij een belangrijke rol vervullen in het ondersteunen van
aanbesteders, bij het uitdragen van best-practices in besteden zal PIANOo
ook nadrukkelijk op dit punt te wijzen.
De Minister van Economische Zaken,
L. J. Brinkhorst
Tweede Kamer, vergaderjaar 20052006, 30 501, nr. 6
21