Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2005­2006
30 501
Regels voor het gunnen van
overheidsopdrachten door aanbestedende
diensten en opdrachten door
speciale-sectorbedrijven (Aanbestedingswet)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 8 mei 2006
De vaste commissie voor Economische Zaken1, belast met het voorberei-
dend onderzoek naar bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer als volgt
verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat
de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beant-
woorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het
wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen
van bovengenoemd wetsvoorstel. Deze leden verwachten dat de voor-
stellen zullen leiden tot het oplossen van een aantal knelpunten, zoals die
ondermeer aan het licht zijn gekomen tijdens de enquête bouwnijverheid.
Tegelijkertijd delen deze leden de mening van de Raad van State dat het
wetsvoorstel in de huidige vorm onvoldoende oplossing biedt voor alle
knelpunten. De leden van de fractie van het CDA hebben dan ook met
interesse kennisgenomen van de nadere rapportage van het ministerie
1 Samenstelling:
van Economische Zaken waarin wordt ingegaan op de aspecten van het
Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra
wetsvoorstel.
(VVD), De Haan (CDA), voorzitter, Schreijer-
Pierik (CDA), ondervoorzitter, Timmermans
De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid hebben kennisge-
(PvdA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA),
nomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Alvorens deze leden kunnen
Weekers (VVD), Slob (CU), Van As (LPF), Van
instemmen met het wetsvoorstel hebben zij enkele vragen en opmer-
den Brink (LPF), Kortenhorst (CDA), Hessels
kingen.
(CDA), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Aptroot
(VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen
(PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA),
van dit wetsvoorstel. Zoals reeds vele malen door hen is uitgedragen
Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD),
hebben zij ondernemerschap hoog in het vaandel staan. Daarom zijn zij
Jonker (CDA), Jungbluth (GL) en Irrgang (SP).
van mening dat de ondernemer zo min mogelijk gehinderd moet worden
Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66),
Örgü (VVD), Van Hijum (CDA), De Nerée tot
door onnodige regelgeving en staatsbemoeienis. Vanuit dit perspectief
Babberich (CDA), Koenders (PvdA),
zien deze leden dit wetsvoorstel als een stap in de goede richting. Wel
Duyvendak (GL), Joldersma (CDA), Van Eger-
hebben deze leden met dit indachtig nog enkele vragen met betrekking tot
schot (VVD), Van der Vlies (SGP), Varela (LPF),
het voorstel.
Hermans (LPF), Verburg (CDA), Van
Vroonhoven-Kok (CDA), Vacature (algemeen),
De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennis genomen van het
Atsma (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA),
wetsvoorstel. Bij deze leden zijn hierover de nog een aantal vragen naar
Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA),
voren gekomen.
Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA),
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling
Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Van Dijk
(CDA), Van Gent (GL) en Gerkens (SP).
kennis genomen van het wetsvoorstel «regels voor het gunnen van
KST97728
0506tkkst30501-5
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2006
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
1

overheidsopdrachten door aanbestedende diensten en opdrachten door
speciale-sectorbedrijven (Aanbestedingswet)». Zij hebben met betrekking
tot dit wetsvoorstel de volgende vragen en opmerkingen.
Uniformiteit (terugdringen versnippering)
Versnippering en verkokering wordt niet tegengegaan ten gevolge van de
verschillende aanbestedingsreglementen. De leden van de CDA-fractie
hechten zeer aan uniformiteit. Alleen daardoor kan oneerlijke concurrentie
en willekeur worden voorkomen. Deelt de regering de mening van deze
leden dat uniformiteit voor zowel aanbestedende overheden als het
bedrijfsleven een eerste vereiste is.
De leden van de PvdA-fractie vinden het een gemiste kans dat met deze
wet geen uniformiteit in regelgeving op het terrein van aanbestedingen is
gekomen. Een meer eenvormig juridisch kader zoals ook in de aanbeve-
lingen van de parlementaire commissie Bouwnijverheid is opgenomen,
verdient naar het oordeel van deze leden de voorkeur. Deze leden vragen
hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de Aanbestedingsregelement
Werken 2005? (ARW).
De Raad van State uit in haar advies twijfel of het wetsvoorstel een oplos-
sing biedt voor de in de memorie van toelichting gesignaleerde knel-
punten, met name het knelpunt van versnipperde regelgeving. Aan de
kritiek van de Raad wordt door de regering slechts voor een klein deel
tegemoet gekomen. Wanneer worden de aanvullende regels van kracht?
Waarom wordt er niet eerder geëvalueerd, zo vragen de leden van de
VVD-fractie? Hoeveel AmvB's is de regering van plan op basis van deze
wet uit te vaardigen? Zullen deze AmvB's aan de kamer ter voorhang
aangeboden worden? Hoe verhoudt de eventuele uitvaardiging van
AmvB's zich tot het beoogde vergroten van de duidelijkheid en de trans-
parantie?
Kan de regering een nadere toelichting geven op het punt dat de gesigna-
leerde knelpunten door de Raad van State pas worden opgelost nadat
deze regels van kracht zijn geworden? Immers, de beoogde termijn
waarop deze regels van kracht worden is dan van groot belang, zo vragen
de leden van de SP-fractie.
De regering somt een groot aantal problemen op waar zij in de
aanbestedingspraktijk tegenaan loopt. Zo is er onder andere sprake van
verkokering en versnippering van aanbestedingsregels en laat de toegan-
kelijkheid van regelgeving te wensen over. Met het oog op de vele
problemen en de vraag of de huidige wettelijke voorzieningen voor de
toekomst toereikend zijn, heeft de regering getracht een «modern wettelijk
kader om beter dan voorheen een goede uitvoering van de Europese en
internationale aanbestedingsverplichtingen te bereiken» voorgesteld. De
leden van de ChristenUnie-fractie waarderen de komst van een nieuwe
kaderwet op basis waarvan nadere regels kunnen worden gesteld. Zij
vragen de regering op wat voor termijn zij denkt te komen met nadere
regelgeving, vooral omdat veelvuldig gesproken wordt over de mogelijk-
heid tot het stellen van regels en de gesignaleerde problemen pas opge-
lost worden nadat nadere regelgeving tot stand is gekomen.
Zij vragen de regering ook of zij nadrukkelijk het belang van het bedrijfs-
leven in het oog zal houden bij het opstellen van nadere regelgeving.
Denkt de regering te kunnen voldoen aan het tussentijdse advies van
september 2005 van de Regieraad Bouw dat bij het streven naar transpa-
rantie het van belang is, dat één uniform gehanteerd reglement zich in de
bouwpraktijk kan ontwikkelen tot de standaard? Gaat de regering de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
2

uitwerking toetsen aan de praktijk en haar voorstellen voorleggen aan
experts uit het bedrijfsleven?
Regels onder de Europese aanbestedingsdrempel
Het wetsvoorstel gaat niet in op aanbestedingen waarop de
aanbestedingsrichtlijn niet van toepassing is (bedragen onder de 250 000
euro). Betekent dit, dat maar liefst 90% van de overheidsopdrachten
buiten de aanbestedingsrichtlijnen vallen, zo vragen de leden van de
CDA-fractie?
Is de regering bekend met het feit dat er voor decentrale overheden ­
zoals waterschappen, provincies en gemeenten ­ geen centrale uniforme
regels zijn waar het gaat om de aanbesteding van werken waarvan de
waarde beneden de drempelbedragen van de Europese aanbestedings-
richtlijn ligt? Is de regering van mening dat door de grote verschillen in
aanbestedingsregels tussen decentrale overheden dit enerzijds ten koste
gaat van de transparantie in het overheidshandelen en anderzijds het
bedrijven veel energie en tijd kost om hun weg te vinden in de grote diver-
siteit aan aanbestedingsregels? Ziet de regering de noodzaak van het
streven naar uniforme aanbestedingsregels voor lokale overheden, zo
vragen de leden van de VVD-fractie?
Een van de problemen is dat veel opdrachten onder de EU-drempel
vallen, waardoor zij niet met EU-regels te maken hebben, zo merken de
leden van de CU-fractie op. Vanuit de sector zijn geluiden te horen dat de
EU-regels duidelijke regels zijn, wat niet zozeer geldt voor regels ten
aanzien van opdrachten onder deze drempel. Wat denkt de regering te
gaan doen om deze duidelijkheid wel te creëren? Hoe denkt de regering in
dit verband over een eenduidig stelstel met als uitgangspunt de Europese
regelgeving? Gaat dit de gesignaleerde verkokering en versnippering
tegen?
Relatie met EU-regelgeving
Verder stelt de Raad van State in meer algemene zin dat een aantal zaken
niet in overeenstemming zijn met de Europese richtlijnen. De leden van de
CDA-fractie vragen hoe de regering oordeelt over deze algemene opmer-
king?
Kan de regering aangeven op welke punten in deze wet de Nederlandse
implementatie afwijkt van de Europese richtlijnen? Op welke terreinen
worden er specifieke nationale accenten gelegd? Daarnaast vragen de
leden van de fractie van de PvdA in dit kader wat de redenen zijn geweest
wel of niet te kiezen voor dergelijke afwijkingen?
Welke acties worden er op dit moment op Europees niveau genomen om
de aanbesteding duidelijker, transparanter en eenvoudiger te maken, zo
vragen de leden van de VVD-fractie? Kan de regering hier invloed op
uitoefenen? Kan worden aangegeven hoeveel procent van de aanbeste-
dingen in Nederland, maar ook in de andere lidstaten aan buitenlandse
partijen gegund worden? Zullen de nieuwe aanbestedingsregels tot
gevolg hebben dat er meer of minder buitenlandse aanbestedingen plaats
zullen vinden?
Ook vragen de leden van de CU-fractie de regering om duidelijkheid over
de verhouding van onderhavig wetsvoorstel met de nog uit te komen
aanbestedingsrichtlijn. De Kamer heeft er nu geen zicht op en kan niet
zien hoe de wet zich met de richtlijn verhoudt. Deelt de regering de
mening van deze leden dat de Kamer zo niet goed af kan wegen waarom
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
3

bepaalde zaken in de richtlijn geregeld worden en niet wettelijk worden
vastgesteld? Hoe kijkt men in Brussel aan tegen de keuze van de regering
om zoveel mogelijk regels vast te leggen via lagere wetgeving en in de
kaderwet vooral een grondslag neer te leggen?
Naleving
Blijft de regering de rapportage aan de Europese Commissie over de
Europese aanbestedingen in Nederland baseren op de CDIU enquête, nu
uit het onderzoek Nalevingmeting Aanbesteden 2004 blijkt dat deze daar-
voor onvoldoende geschikt is? Wat zijn de voor- en nadelen van deze
CDIU enquête ten opzichte van de TED-database? Op basis van welke
methoden worden soortgelijke methoden in de andere lidstaten uitge-
voerd? Hoe scoren de andere landen met betrekking tot de naleving van
de aanbestedingsregels? Hoe betrouwbaar acht de regering de door de
andere lidstaten gepresenteerde cijfers, zo vragen de leden van de
VVD-fractie?
Hoe komt het dat voor twee departementen onvoldoende gegevens
beschikbaar zijn over de mate waarin op die twee departementen is
voldaan aan de Europese aanbestedingsregels? Welke twee departe-
menten betreft het? Gaat de regering actie ondernemen om er voor te
zorgen dat deze departementen deze informatie over de naleving in de
toekomst wel kunnen leveren?
Zal in het volgende nalevingonderzoek (die periodiek worden aangekon-
digd in het wetsvoorstel Aanbestedingswet) wel aandacht worden
besteed aan de naleving van de aanbestedingsregels door grote aanbe-
stedende diensten van het Rijk?
Heeft de regering, zo vragen deze leden, een doelstelling/doelstellingen
geformuleerd voor het gewenste nalevingniveau(s) als het gaat om de
verplichte Europese aanbesteding? Is deze doelstelling uitgewerkt per
overheidssector (rijk, provincies, gemeenten etc) en jaarlijks? Zo neen,
waarom niet?
Blijft de regering de rapportage aan de Europese Commissie over de
Europese aanbestedingen in Nederland baseren op de CDIU enquête, nu
uit het onderzoek Nalevingmeting Aanbesteden 2004 blijkt dat deze daar-
voor onvoldoende geschikt is? Wat zijn de voor- en nadelen van deze
CDIU enquête ten opzichte van de TED-database, zo vragen de leden van
de SP-fractie?
Zal in het volgende nalevingonderzoek (dat periodiek wordt aangekondigd
in het wetsvoorstel Aanbestedingswet) wel aandacht worden besteed aan
de naleving van de aanbestedingsregels door grote aanbestedende dien-
sten van het Rijk? Heeft de regering op basis van de aanbeveling uit het
onderzoeksrapport, om te monitoren of de juiste beleidsmaatregelen
worden getroffen om naleving van de aanbestedingsregels te stimuleren,
aanleiding gezien om activiteiten te ontplooien, zo vragen de leden van de
SP-fractie? Zijn naar aanleiding hiervan beleidsmaatregelen c.q. instru-
menten geëvalueerd en/of aangepast, of zijn nieuwe maatregelen
genomen of in voorbereiding? Hoe verhoudt deze aanbeveling uit het
onderzoeksrapport zich met dit wetsvoorstel? Wordt met dit wetsvoorstel
invulling gegeven aan de aanbeveling om de begrippen homogeniteit en
gelijksoortigheid eenduidig te definiëren? Op welke wijze gebeurt dat
precies? Heeft of gaat de regering actie ondernemen op de negen niet
nader onderzochte redenen voor het niet of onvoldoende naleven van de
aanbestedingsregels? Zo ja, welke acties zijn dat? Is met deze punten
rekening gehouden in dit wetsvoorstel? Zo ja, kan de regering voor deze
negen punten aangeven op welke wijze dat is gebeurd?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
4

Heeft de regering een doelstelling c.q. doelstellingen geformuleerd voor
het gewenste nalevingniveau(s) als het gaat om de verplichte Europese
aanbesteding? Is deze doelstelling uitgewerkt per overheidssector (rijk,
provincies, gemeenten etc) en per jaar? Zo nee, waarom niet? Is deze
doelstelling gegoten in de VBTB-vorm: Wat willen we bereiken, wat gaan
we daarvoor doen en wat mag het kosten? Is daarbij een koppeling
gemaakt tussen de doelen van het beleid (in termen van gewenst
nalevingniveau per sector in een bepaald jaar) en de instrumenten die de
regering in wil zetten (vergroten van kennis en professionaliteit,
rechtmatigheidcontrole gemeenten en provincies en aanwijzings-
bevoegdheid), m.a.w. hoe en in welke mate gaan deze instrumenten
precies bijdragen aan de geformuleerde doelstellingen? De instrumenten
rechtmatigheidcontrole en de aanwijzingsbevoegdheid zijn uitsluitend
gericht op de decentrale overheden. Worden naast het inzetten op het
vergroten van kennis en professionaliteit, zo vragen de leden van de
SP-fractie, nog andere instrumenten ingezet op de buiten de sector decen-
trale overheid vallende diensten, organisaties en bedrijven die wél
aanbestedingspichtig zijn (speciale sectorbedrijven)?
De leden van de CU-fractie vinden inzicht in resultaten en meerwaarde
van de genoemde centra met name van belang in het kader van de
«Nalevingmeting aanbesteden 2004». De regering stelt dat er resultaat is
geboekt ten opzichte van 2002, maar nog niet voldoende. Het blijkt dat
voornamelijk kleine entiteiten, zoals gemeenten en waterschappen, niet
goed in staat zijn om de Europese aanbestedingsrichtlijnen na te leven.
Juist deze kleinere entiteiten hebben echter veel aan te besteden en zijn
een grote opdrachtgever van het MKB. Wat heeft de regering gedaan met
de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport om te monitoren of de juiste
beleidsmaatregelen worden getroffen om naleving van de Europese
aanbestedingsrichtlijnen te stimuleren? Hoe heeft de regering de resul-
taten en de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport verwerkt in dit wets-
voorstel?
Toezicht en rechtsbescherming
In het wetsvoorstel wordt gesproken over versterking van het toezicht
door middel van accountantscontroles. Met de leden van de Raad van
State plaatsen de leden van de CDA-fractie daar kanttekeningen bij omdat
de overheid niet altijd een rechtstreekse gezagsrelatie heeft. De suggestie
van de Raad van State dat er gedacht zou kunnen worden aan het
opzetten van een zogenaamde aanbestedingsautoriteit delen zij niet. Dit
kan immers leiden tot onnodige wet- en regelgeving, terwijl in alle
sectoren een grote voorkeur voor zelfregulering binnen de door de over-
heid gestelde kaders wordt uitgesproken.
Aanbestedingsprocedures zijn onderworpen aan arbitrage. Het arbitrale
beding staat volgens de Raad van State op gespannen voet met richtlijn
nr. 89/665/EEG. Hiermee moet de aanbestedende overheid een stand still
periode instellen voor de gunning waarbinnen de inschrijvers van wie de
offerte niet is gekozen de mogelijkheid hebben beroep aan te tekenen. De
leden van de CDA-fractie vragen of de genoemde richtlijn inderdaad bete-
kent dat er sprake moet zijn van een periode waarin verder geen stappen
kunnen worden ondernomen? Het is deze leden niet duidelijk wat daarvan
de gevolgen kunnen zijn, voor zowel de betrokken overheden als de
bedrijven. Deelt de regering de opvatting dat op dit punt in het wetsvoor-
stel geen voorzieningen zijn getroffen en als dat het geval is, is het de
vraag of zulks niet noodzakelijk is.
Deze leden hebben overigens eerder in algemene zin opmerkingen
gemaakt over de aanbestedingspraktijk en zijn benieuwd wat er sinds het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
5

laatstgehouden overleg met de minister van Economische Zaken is veran-
derd. Zo is bijvoorbeeld gepleit voor het instellen van een klachten-
commissie waar bedrijven terecht zouden kunnen. Wat zijn de ervaringen
tot op dit moment naar aanleiding van de eerder gehoorde kritiek uit het
bedrijfsleven over de wijze waarop overheden aanbesteden?
De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen over het toezicht
op de aanbestedingsregelgeving. Op welke manier wordt dit toezicht
vormgegeven? Komt er een onafhankelijk toezicht door een «markt-
meester»? Zo neen, waarom wordt hier niet voor gekozen?
Op welke wijze is de afweging gemaakt (bijvoorbeeld in de vorm van een
kostenbaten analyse) bij het wel of niet instellen van een toezicht-
autoriteit? Welke informatie uit de over drie jaar voorziene evaluatie, zou
van doorslaggevende invloed kunnen zijn op een heroverweging op dat
moment? Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Aanbestedingswet
tegemoet zien, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Op welke
momenten zal het (tussentijdse) periodiek onderzoek naar de naleving van
de aanbestedingsregels precies plaatsvinden en zullen deze aan de Kamer
worden aangeboden? Kunnen de uitkomsten van deze periodieke onder-
zoeken aanleiding zijn om het besluit om geen toezichthouder aan te
wijzen te heroverwegen? Wanneer zal dat het geval zijn (bijvoorbeeld bij
welk nalevingniveau per sector en in welk jaar)?
Op welke wijze is de afweging gemaakt (bijvoorbeeld in de vorm van een
kostenbaten analyse) bij het wel of niet instellen van een toezicht-
autoriteit? Welke informatie uit de over drie jaar voorziene evaluatie, zal
van doorslaggevende invloed kunnen zijn op een heroverweging op dat
moment? Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Aanbestedingswet
tegemoet zien, zo vragen de leden van de SP-fractie? Op welke momenten
zal het (tussentijdse) periodiek onderzoek naar de naleving van de
aanbestedingsregels precies plaatsvinden en zullen deze aan de Kamer
worden aangeboden? Kunnen de uitkomsten van deze periodieke onder-
zoeken aanleiding zijn om het besluit om geen toezichthouder aan te
wijzen te heroverwegen? Wanneer zal dat het geval zijn (bijvoorbeeld bij
welk nalevingniveau per sector en in welk jaar)?
De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat de regering,
ondanks mogelijkheden daartoe (artikel 81 van richtlijn 2004/18/EG en
artikel 72 van richtlijn 2004/17/EG), geen gebruik maakt van het instellen
van een aanbestedingsautoriteit.
Zij vragen de regering om verduidelijking van haar keuze, omdat het
bedrijfsleven en de ondernemersorganisaties zelf wel interesse lijken te
hebben in een dergelijke autoriteit. Klachten vanuit de aannemers van
opdrachten worden nu bijvoorbeeld minder snel geuit omdat de klacht
gericht moet worden aan de overheidsinstantie zelf, met daarbij het risico
dat men hierdoor in de toekomst opdrachten misloopt. Ook Actal heeft de
instelling van een toezichthouder ter overweging meegegeven. Op welke
wijze is de afweging gemaakt bij het wel of niet instellen van een toezicht-
autoriteit? Deze leden menen dat vooral het gegeven dat ondernemers
ervoor pleiten sterk mee moet wegen in de beoordeling. Het kan immers
bijdragen aan het vertrouwen tussen de aannemers en de aanbestedende
diensten, en dat lijkt hen wel wat waard! Hoe denkt de regering daarover?
Innovatie
Ook zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd hoe er in de
aanbestedingswet wordt voorzien dat deze niet beperkend werkt op de rol
van de overheid als «launching customer» voor innovatieve ontwikke-
lingen en producten van de Nederlandse industrie?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
6

De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen over de kansen bij
aanbestedingen van met name innovatieve bedrijven. De eisen bij aanbe-
stedingen kunnen vaak onnodig hoog zijn. Kan de regering nader ingaan
op deze zorg?
Hoe denkt de regering over het bevorderen van aanbieden van varianten,
gezien de bijdrage hiervan aan het ontwikkelen van innovatieve alterna-
tieven, zo vragen de leden van de CU-fractie?
Integriteit
Integriteit is in de ogen van de leden van de CDA-fractie een belangrijk
aandachtspunt binnen de aanbestedingswet. Deelt de regering de zorg dat
regelgeving en aanvullende bepalingen rond het integriteitvraagstuk niet
mogen leiden tot administratieve lastenverzwaring. Wordt bovendien de
mening gedeeld dat integriteit niet alleen een vraag is waarmee het
bedrijfsleven wordt geconfronteerd, maar dat dit ook geldt voor de
aanbestedende overheden? Is op dit punt een separate gedragscode voor
overheden en diensten van overheden noodzakelijk?
Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA de regering nader in te
gaan op de kritiek van VNO-NCW en MKB-Nederland, die voorspellen dat
de verplichte integriteittoets gepaard zal gaan met een grote administra-
tieve lastenstijging. Klopt deze voorspelling? Hoe hoog zullen deze lasten
zijn? Is dit een wenselijk effect van deze integriteittoets?
In hoeverre werpt de verplichting om een integriteitverklaring aanbe-
steden te vragen drempels op voor het MKB om mee te dingen bij aanbe-
stedingen, zo vragen de leden van de SP-fractie?
De leden van de fractie van de ChristenUnie-fractie waarderen de
aandacht voor integriteit door middel van de voorgestelde integriteit-
verklaring. De overheid moet zich er inderdaad voor hoeden zaken te doen
met niet-integere ondernemers. De leden van de fractie van de Christen-
Unie hebben zich herhaaldelijk ingezet om de integriteit te bevorderen,
met name in de bouwwereld, zoals bleek uit motie Slob (28 244, 36). Heeft
de regering inzicht in de effectiviteit van de in de motie gevraagde
«eenduidige omschrijving van disciplinaire maatregelen bij integriteit-
schendingen»?
Hoe ziet de regering het mogelijke concurrentienadeel voor Nederlandse
bedrijven ten opzichte van buitenlandse inschrijvers door de invoering
van de verplichte integriteitverklaring, zoals o.a. door VNO-NCW en MKB
Nederland wordt opgemerkt? Deelt de regering de mening van deze leden
dat de verplichting om een integriteitverklaring aanbesteden te vragen
mogelijk drempelverhogend werkt voor het MKB? Zo ja, heeft de regering
suggesties om met behoud van een vorm van integriteittoetsing toch
aanbestedingen richting het MKB te stimuleren?
Proportionaliteit
In het verleden zijn soms in de ogen van de leden van de CDA-fractie
onredelijke eisen gesteld aan het bedrijfsleven en vraag is op welke wijze
het algemene aanbestedingskader hierin kan voorzien. Ook is door deze
leden gewezen op onredelijke eisen die door aanbestedende overheden
aan bedrijven worden gesteld. Op welke wijze zijn de richtlijnen terzake
aangepast?
Voorts wijzen deze leden op de motie die door het lid Ten Hoopen bij de
begrotingsbehandeling van de minister van Economische Zaken voor het
jaar 2005 is ingediend. In deze motie (Small Business Act) wordt gepleit
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
7

voor verbetering van de toegankelijkheid van aanbestedingsopdrachten
bij het MKB. Op welke wijze wordt de intentie van de motie meegenomen
in de uitwerking van de aanbestedingswet en op welke wijze wordt de
betreffende motie binnen het overheidsbeleid vorm en inhoud gegeven?
Er zal in samenspraak met het bedrijfsleven en de opdrachtgevers een
normenkader worden ontwikkeld voor een aantal selectiecriteria. Kan dit
normenkader nader worden toegelicht? De leden van de PvdA-fractie
vragen in dit verband op welke termijn dit wordt vormgegeven en wie
hierbij een voortrekkersrol vervult?
In hoeverre kan en zal de ministeriële regeling conform artikel 20, waarbij
grenzen kunnen worden gesteld aan eisen inzake draagkracht en
bekwaamheden van een ondernemer, bijdragen aan de kansen van
MKB-bedrijven bij aanbestedingen, zo vragen de leden van de SP-fractie?
Administratieve lasten
Voorts is het de leden van de CDA-fractie opgevallen dat Actal in een
reactie op de voorgestelde wetgeving wijst op onderzoek naar de lasten
van aanbestedingen van de centrale overheid en daarbij 21 aanbevelingen
heeft gedaan om te komen tot lastenvermindering. Kan de regering
verduidelijken wat met deze aanbeveling is gedaan?
Zal Actal betrokken worden bij c.q. om advies gevraagd worden over de
nadere regelgeving die in het wetsvoorstel wordt aangekondigd? Zal op
dat moment ook ingegaan worden op de alternatieven en suggesties die
in de brief van Actal aan de minister van EZ (dd. 5-9-2005) worden aange-
geven inzake de administratieve lasten, zo vragen de leden van de
VVD-fractie?
Zal Actal betrokken worden bij c.q. om advies gevraagd worden over de
nadere regelgeving die in het wetsvoorstel wordt aangekondigd? Zal op
dat moment ook ingegaan worden op de alternatieven en suggesties die
in de brief van Actal aan de minister van EZ (dd. 5-9-2005) worden aange-
geven inzake de administratieve lasten, zo vragen de leden van de
SP-fractie?
Flankerend beleid
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de suggestie dat
een oplossing kan worden gevonden door publicatie in TenderNed.
TenderNed is de Nederlandse elektronische aanbestedingssite voor zowel
opdrachtgevers als opdrachtnemers. Kan de regering uiteenzetten wat op
dit moment de stand van zaken met betrekking tot TenderNed is? Voor-
zover deze leden weten bevindt TenderNed zich op dit moment, althans
tot voor kort, in een testfase. Daadwerkelijke ervaringen naar aanleiding
van de testperiode zijn deze leden nog niet bekend. Bovendien is onduide-
lijk hoe de verschillende marktpartijen op deze suggestie reageren. Wordt
er ook gedacht over het opzetten van een database met gegevens, zodat
er een betere en heldere matching kan plaatsvinden tussen de aanbeste-
dende diensten en het MKB. Er is inmiddels ervaring opgedaan met het
kenniscentrum Bouw en de leden van de CDA-fractie veronderstellen dat
dit een voorbeeld kan zijn voor andere sectoren.
De leden van de fractie van de PvdA willen weten op welke wijze de rege-
ring het wetsvoorstel bekend gaat maken aan de betrokken sectoren. Op
welke wijze zal het wetsvoorstel ook bij alle overheden bekend worden
gemaakt? Deze wet eist immers veel specialistische kennis. Is deze
voldoende aanwezig bij alle overheden? Op welke wijze zal de benodigde
kennis aan de overheden worden bijgebracht?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
8

Zowel voor de overheid als voor het MKB is het van belang dat aanbeste-
dingen ook MKB-bedrijven in de gelegenheid stellen mee te doen. Zou het
niet zinvol zijn te regelen dat aanbestedingen in principe in kleine, logi-
sche delen geschieden? Nu wordt vaak onnodig geclusterd waardoor het
MKB niet kan meedoen. Bovendien is door grote geclusterde aanbeste-
ding het aantal bedrijven dat kan meedoen vaak zo beperkt dat er nauwe-
lijks concurrentie en marktwerking is waardoor de overheid te duur uit is.
Welke mogelijkheden ziet de regering om onnodige clustering te voor-
komen, zo vragen de leden van de VVD-fractie?
De regering merkt bij de gesignaleerde problemen op, dat de professiona-
liteit van de aanbestedende dienst vaak ondermaats is. Deze signalering
wordt onderschreven door het bedrijfsleven. De leden van de
ChristenUnie-fractie waarderen de initiatieven die ontplooid zijn om dit te
verbeteren, zoals de interdepartementale projectdirectie Professioneel
Inkopen en Aanbesteden (PIA), het Kenniscentrum Europa decentraal en
het kenniscentrum PIANOo. Twee vragen wat betreft deze initiatieven:
waarom zijn er een aantal van deze initiatieven, waarvan twee vanuit het
ministerie van EZ en is er niet gekozen voor één instantie waar men
terecht kan? Zou dat, in het kader van efficiëntie en duidelijkheid, niet
beter zijn? Aanvullend, heeft de regering zicht op de resultaten en de
effectiviteit van deze initiatieven? Deze leden zijn met name geïnteres-
seerd in de resultaten van PIANOo en Europa decentraal. Wordt er veel
gebruik gemaakt van deze centra? Hebben de centra in de ogen van de
regering hun meerwaarde al bewezen? Kan de regering toezeggingen
doen over het aanbieden van resultaten van de verschillende centra?
Richten de kenniscentra van de overheid zich ook specifiek op de zwak-
kere sectoren, zoals die naar voren kwamen uit de nalevingmeting? In dit
verband denken deze leden dat het een verstandige keuze is van de rege-
ring om gebruik van TenderNed verplicht te stellen, vooral omdat te
verwachten is dat het gebruik van TenderNed bijdraagt aan verhoging van
de concurrentie én transparantie. Zij hebben wel enkele vragen over de
invoer en het gebruik van TenderNed. Wanneer denkt de regering dat dit
instrument volledig functioneel en uitgetest is en dus ingevoerd kan
worden? Is het verstandig om dit instrument geleidelijk in te voeren voor
de verschillende categorieën aanbestedende diensten? Wat zijn de over-
wegingen om te kiezen voor de geleidelijke invoer en niet een gelijktijdige
invoer, vooral gezien de geconstateerde versnippering en onduidelijkheid?
In aansluiting op de constateringen uit de «Nalevingmeting aanbesteden
2004» vragen de leden van de ChristenUnie-fractie aandacht voor het
MKB. Zoals gezegd zijn vooral gemeenten grote opdrachtgevers van het
MKB. Presteren de gemeenten onder de maat qua aanbesteding, dan
heeft dat direct gevolgen voor het MKB. Deze leden waarderen de
aandacht die de regering besteedt aan het vergroten van de kennis van
aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven van aanbestedings-
regels en de inzet om het inkoop- en aanbestedingsbeleid te professionali-
seren. Is de regering het met deze leden eens dat de complexiteit van
opdrachten en het niet voldoende professioneel opereren door aanbested-
ende diensten het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)
bemoeilijkt en een drempel vormt in de bevordering van het integer
handelen?
De regering geeft aan dat functionele opdrachten in plaats van tot op
detail uitgewerkte voorstellen bij kunnen dragen aan innovatie. De leden
van de fractie van de ChristenUnie onderschrijven dit en menen dat dit
ook bij zal dragen aan duidelijkheid voor het bedrijfsleven. Zij vragen de
regering erop toe te zien dat het niet blijft bij het bieden van de mogelijk-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
9

heid daartoe maar actief de ontwikkeling naar functionele omschrijving te
bevorderen. Graag een reactie van de regering hierop.
Is de regering bereid in de voorziene evaluatie, maar zo mogelijk eerder,
verslag te doen van de mate waarin gebruik is gemaakt van functionele
opdrachten in plaats van het gedetailleerd omschrijven van de
opdrachten? Datzelfde geldt voor het gunningcriterium, als de regering er
voor pleit niet automatisch te kiezen voor de laagste prijs, maar het crite-
rium «economisch meest voordelige aanbieding». Deze leden zien de
meerwaarde in van laatstgenoemde benadering en vragen de regering
om een actieve bevordering hiervan. Zij vragen de regering ook toe te zien
op vereenvoudiging van de opdrachten, om zo de mogelijkheden van het
MKB mee te dingen naar opdrachten en deze aan te kunnen nemen te
vergroten.
De voorzitter van de commissie,
De Haan
De griffier van de commissie,
Tielens-Tripels
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005­2006, 30 501, nr. 5
10