Uitsluitingsgronden

Uitsluitingsgronden zien op omstandigheden die (de persoon van de inschrijver) betreffen en die diens uitsluiting van deelname aan aanbestedingsprocedures in het algemeen kunnen rechtvaardigen. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen de dwingende en de facultatieve uitsluitingsgronden.

Artikel 45 lid 1 Bao bevat een limitatieve lijst van dwingende uitsluitingsgronden. Deze uitsluitingsgronden omvatten kort gezegd zeer ernstig vormen van economische delicten. Op grond van deze bepaling moeten aanbestedende diensten inschrijvers tegen wie bij een onherroepelijk vonnis een veroordeling om één of meer van de hieronder omschreven redenen is uitgesproken uitsluiten van deelname aan de aanbestedingsprocedure. In artikel 45 lid 1 Bao wordt verwezen naar bepalingen van het Wetboek van Strafrecht:

  • deelneming aan een criminele organisatie (artikel 140 WvSr);
  • omkoping van ambtenaren en rechters (artikelen 177, 177a en 178 WvSr); 
  • valsheid in geschriften, valse opgave in authentieke akte en verstrekking onjuiste gegevens (artikelen 225, 226, 227, 227a en 227b WvSr); 
  • valselijk aanwenden van een subsidie van de EG (artikel 323a WvSr);
  • aannemen van steekpenningen (artikel 328ter, lid 2 WvSr);
  • heling (artikelen 416, 417 en 417bis WvSr); en 
  • witwassen van geld (artikelen 420bis, 420ter en 420quater WvSr).

Artikel 45 lid 3 Bao bevat een lijst met facultatieve uitsluitingsgronden. Op grond van deze bepaling kunnen aanbestedende diensten inschrijvers die in één van deze omstandigheden verkeren uitsluiten van deelname aan de aanbestedingsprocedure. Op de aanbestedende dienst rust geen verplichting tot uitsluiting. Heeft een aanbestedende dienst in de aankondiging of het bestek aangegeven dat hij gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid tot uitsluiting indien een inschrijver in een van de betreffende omstandigheden verkeert, dan moet de aanbestedende dienst op grond van het gelijkheidsbeginsel in dat geval ook daadwerkelijk tot uitsluiting overgaan.

Op grond van artikel 45 lid 3 Bao kan een aanbestedende dienst van deelneming van de aanbestedingsprocedure uitsluiten, ieder inschrijver:

  • ‘die in staat van faillissement of van liquidatie verkeert, wiens werkzaamheden zijn gestaakt, jegens wie een surseance van betaling of een akkoord geldt of die in een andere vergelijkbare toestand verkeert ingevolge een soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
  • wiens faillissement of liquidatie is aangevraagd of tegen wie een procedure van surseance van betaling of akkoord dan wel een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig is gemaakt;
  • jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels;
  • die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op een grond die de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken;
  • die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;
  • die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;
  • die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die ingevolge de artikelen 45 tot en met 53 Bao kunnen worden verlangd, of die inlichtingen niet heeft verstrekt.’

Artikel 46 Bao bepaalt welke bewijsmiddelen aanbestedende diensten gehouden zijn te aanvaarden als voldoende bewijs dat geen van de uitsluitingsgronden op een inschrijver van toepassing zijn. Voor wat betreft de dwingende uitsluitingsgronden van artikel 45 lid 1 en de facultatieve uitsluitingsgronden genoemd onder c. en d. geldt als afdoende bewijs een Verklaring Omtrent Gedrag rechtspersonen (VOGrp). Voor de facultatieve uitsluitingsgronden a. en b. geldt een verklaring van de griffier van de rechtbank als afdoende bewijs. Voor de facultatieve uitsluitingsgronden e. en f. geldt een verklaring van de Belastingdienst als afdoende bewijs.